Het is augustus 1956. Binnenkort zal ik op het vliegtuig naar Nederland stappen om daar te gaan studeren. Mijn ouders, die op dat ogenblik in Europa zijn, hebben ons – mijn oudere broer, mijn twee zusjes en ik – achtergelaten in de zorg van het personeel. Af en toe komt een tante kijken of alles goed gaat, alles gaat goed. Voor ik vertrek neem ik een aantal foto’s van mijn ouderlijk huis, en van alles wat mij dierbaar is. En natuurlijk neem ik ook een foto van deze vier mensen die op ons passen en goed voor ons, het huis en de tuin zorgen. Zij zijn al jarenlang bij ons in dienst en niet weg te denken uit ons leven.

Helemaal links staat Dasimah, die iedere dag de kleren komt wassen, ze vervolgens droogt aan de waslijn en strijkt. In mijn herinnering strijkt zij met een strijkijzer met gloeiende kooltjes. Terwijl ik dit schrijf twijfel ik of dit echt zo was of dat ik terugdenk aan eerdere jaren in een ander huis. In de middag ligt dan alles keurig frisgewassen en gladgestreken in de wasmand. Het wasgoed nog dezelfde dag kastklaar te hebben is een luxe waar ik mij nu van bewust ben, nu ik in Nederland dat zelf moet doen. Als het werk gedaan is, gaat zij naar huis.

Naast haar staat staat Pawiro, de kokkin, die getrouwd is met de man helemaal rechts Djuned. Beiden wonen bij ons. Van Pawiro’s kookkunsten kan ik mij weinig herinneren. Waarschijnlijk kookte zij goed, maar niet bijzonder goed. Bijzondere gerechten nam mijn moeder immers voor haar rekening. Zoals Dasimah en Pawiro toen gekleed gingen komt tegenwoordig nog maar weinig voor. Nu gaat de voorkeur uit naar westerse kleding.
Andi, rechts van haar, is onze chauffeur. Hij staat er op de foto wat slordig bij, niet zoals gewoonlijk. Andi heeft mij mijn eerste rijlessen gegeven. Als ik van school thuiskwam en de straten rustig waren vanwege de middaghitte, leerde hij mij in de Austin de versnellingsbak te hanteren, op te trekken, bochten te maken, te parkeren en alles wat bij autorijden hoorde. Hij was een lieve man wiens levenswandel gedurende enige jaren met afkeuring werd besproken, omdat hij achter elkaar drie vrouwen had. Uiteindelijk bleef hij trouw aan de laatste, Enék, die een hoofd groter was dan hij.

Tenslotte staat uiterst rechts Djuned. Hij was degene die de mannenklussen deed zoals de tuin, de oprit, de honden, en die de planten water gaf. Mijn duidelijkste herinnering aan hem was dat hij ons altijd bij het avondeten bediende. Mijn ouders – en in het bijzonder mijn vader – waren gesteld op een verzorgde tafel bij het avondeten, mooi gedekt en de gerechten ook opgediend in het bijpassende serviesgoed. Djuned stond dan altijd – netjes aangekleed – in dezelfde hoek van de kamer naast de vleugel en bediende ons wanneer dat nodig was. Hij schonk het water bij en zorgde ervoor dat het ons aan niets ontbrak.

Als ik naar deze foto en deze mensen kijk, dan is het altijd met een warm gevoel. Zij maken deel uit van de herinneringen aan de mooie jaren in Bandung, waar ik na enige jaren kostschool in het gezin terugkeerde.

Patricia Tjiook-Liem, November 2016