Mijn vader was van 1919. Hij werd geboren in Makassar en groeide op in Surabaya. In welk jaar hij naar Holland kwam om aan de Technische Hogeschool van Delft te gaan studeren, weet ik niet. Hij zal 17 of 18 jaar oud zijn geweest, dus rond 1936 met zijn studie zijn begonnen. Voor me ligt zijn paspoort, in nostalgisch zwart jasje, dat ik terugvind tussen zijn paperassen. Het is het enige paspoort dat hij heeft bewaard, ik vraag me af waarom.

Het is op 28 juli 1938 door de gemeente Delft uitgegeven. Vanuit zijn pasfoto blikt hij ernstig de toekomst in, een jongen nog, ondanks de strenge bril, het witte overhemd en de nette das. Volgens het paspoort heet hij Soen Hong Tan, is hij ‘Nederlandsch Onderdaan’, en mag hij reizen door ‘Europa en andere werelddelen’. De geldigheidsduur eindigt op 27 juli 1940. Afgaand op de douanestempels constateer ik, dat mijn vader reislustig was: hij bezocht Zwitserland, Italië en een jaar later Engeland en Duitsland.

Toen verloor hij kort na elkaar zijn vader en zijn moeder. Hij moest halsoverkop terug naar Surabaya. Hoe ingewikkeld en langdurig zijn terugreis was, heb ik nooit geweten, maar kan ik nu traceren via de stempels in zijn paspoort. Op 26 januari 1940 ontvangt hij van de Britse ambassade in Den Haag een transitvisum ‘Good only for direct transit through Iraq en route to Netherlands East Indies’ en ‘All British Aerodromes en route through to Netherlands East Indies’. Een ‘Visa de transit sans arrêt valable pour un seul voyage, aller en Italie. Se rond à Naples en transit par la France, Feignies, Modane’, krijgt hij van het Franse consulaat.

Rond 3 februari moet mijn vader vertrokken zijn, want op 4 februari gaat hij in Feignies de Frans-Belgische grens over, en de volgende dag de Frans-Italiaanse grens in Modane. Na een paar onleesbare Arabische stempels reist hij op 9 februari van Karachi naar Jodhpur in India. Op 10 februari stempelt de Burmese politie hem af in Rangoon en reist hij meteen door naar Dum Dum Aerodrome. Vandaaruit vertrekt hij naar Thailand en landt hij op de elfde in Don Muang. Dan houden de stempels op. Het moet hem nog minstens 1 à 2 dagen hebben gekost om zijn ouderlijk huis te bereiken. De reis zal zo’n 10 dagen hebben geduurd.

In mijn gedachten zie ik mijn vader de hink-stap-sprongen maken over het EuroAziatische continent. Wat moet er door hem heen zijn gegaan? Thuis wachten zijn twee broers en zusje en moet hij, als oudste zoon, de plaats van gezinshoofd innemen. Hij is drie maanden voordat de grenzen in Europa dicht gingen naar Surabaya teruggekomen.

Amsterdam 1965. Mijn vader komt de kamer in, hij glimt van blijdschap. Ik heb hem zelden zo in zijn nopjes gezien. ‘We hebben het Nederlandse paspoort gekregen!’ Toen mijn vader ons in 1958 naar Europa bracht, moesten we een jaar in Duitsland en in België wachten, voordat we Nederland mochten binnenkomen. Ons Indonesische paspoort hadden we verworpen. We reisden met een rozekleurig ‘vreemdelingenpaspoort’. Na vijf jaar statenloos geweest te zijn, ontvangen we ons Nederlandse paspoort. Een paspoort is slechts een reisdocument, maar in de dagelijkse taal is het woord paspoort vaak synoniem voor het staatsburgerschap, het tastbare bewijs van je nationaliteit.

Voor mij en mijn zusjes was het verkrijgen van het Nederlanderschap iets vanzelfsprekends, we stonden er niet echt bij stil. Nu pas realiseer ik me, hoe enerverend die vijf jaar wachten voor mijn vader moet zijn geweest. En dat mijn vader in feite voor de tweede keer Nederlands onderdaan werd, daarvan ligt het bewijs in mijn handen. Mijn vader moet trots zijn geweest op zijn paspoort en het moet een grote sentimentele waarde hebben gehad voor hem, vandaar dat hij het nooit heeft weggegooid.

Ing Lwan Taga-Tan, Augustus 2014