Op de foto is onder het nummerbordje15 op een bord in verschillende talen te lezen dat in dit huis de Pakistaanse ambassade gevestigd is. In dit huis heeft mijn grootvader H.H. Kan, voormalig volksraadlid, na de Tweede Wereldoorlog tot zijn dood in 1951 gewoond. Het was tevens het laatste huis dat hij zijn bezit kon noemen.

Op de dag dat hij stierf, werd hij opgebaard in een open kist in de voorgalerij van zijn huis. Deze voorgalerij is een open hal en op de foto zichtbaar als het naar voren stekend gedeelte, rechts. Van de open voorgalerij kon men via de voordeur het huis binnen komen. In de eerste kamer achter deze deur stond het voorouderaltaar. Op die bewuste dag – zijn sterfdag – werden tijdens de ceremonie voor het opbaren en gereed maken van de kist wierookstokjes gebrand. Om de kist direct te verbinden met het voorouderaltaar stond de voordeur tussen voorgalerij en de altaarkamer open. De kist was zo dicht mogelijk bij het altaar geplaatst en stond dus precies voor deze deur

Blijkbaar was men getipt dat de voordeur open stond, want opeens drong een groep Pakistani met geweld door deze deur het huis binnen en kraakte en bezette het huis. Tijdens hun ‘kraak- en bezettingsactie’ moesten de Pakistani langs en voorbij de doodskist met hun bagage, zoals koffers en dozen. Daarbij hinderden ze mijn vader die bezig was met de begrafenisceremonie bij de kist. Specifiek herinner ik me een incident waarbij net op het moment dat mijn vader een parel in de mond van mijn grootvader bracht (een dodenritueel), hij door een der binnendringende Pakistani naar voren werd geduwd en tegen de kist viel. Ik voelde de ingehouden woede van mijn vader, toen deze Pakistani zich niet eens verontschuldigde. Van mijn moeder hoorde ik veel later dat de politie weigerde te komen omdat het om een ‘bevriende moslimstaat’ ging. Het Pakistaanse ambassadepersoneel is sinds die dag niet meer weggegaan. Wel hebben ze nog geprobeerd om ook het paviljoen waarin mijn tante Lucy, de oudste dochter van mijn grootvader, woonde te bezetten. Dat dit niet is gelukt was te danken aan het feit dat ze met iemand was getrouwd die de Duitse nationaliteit had. Later kwam er ook een bord aan de voorkant van dit paviljoen met het opschrift: ‘’grondgebied van de Duitse Bondsrepubliek’’. Het weinige huisraad en de eigen spullen van mijn grootvader in het woonhuis, die nog waren gered uit zijn in beslag genomen huis op ‘Parapatan’, werden zonder pardon door de Pakistani in de voortuin en op straat gedumpt. Daarmee gingen opnieuw vele zaken verloren zoals foto’s, belangrijke documenten, familiegegevens en dergelijke.

Vóór de Tweede Wereldoorlog bezat mijn grootvader drie villa’s: het woonhuis op Parapatan, een buitenhuis voor zijn vrouw te Tjitjoeroeg en villa Mei Ling in Bandoeng.

Villa Mei Ling was door mijn grootvader en zijn broer Han Khing Bie bestemd om later een museum van de Kan-Han familie te worden. De villa was volgestouwd met kunst en antiek. De familie bood tijdens de Tweede Wereldoorlog deze villa aan als verblijfplaats aan de terugtrekkende Gouverneur- Generaal Tjarda van Starkenborg. Daarna ging dit huis over op de Japanse bezetter, gevolgd door de Britse bevrijder. Toen de laatste vertrok namen de Britten de inhoud van het huis (lees: antiek) in 35 vrachtwagens mee als oorlogsbuit. De Nederlands-Indische regering zei dat zij niets kon doen omdat het Suprême Commando onder Brits bevel was en omdat deze toch de bevrijders waren. Na de Britten kwam Generaal Spoor erin en deze droeg het over aan de Indonesische staat. Zo verloor mijn grootvader definitief deze villa.

Het buitenhuis te Tjitjoeroeg werd tijdens de ‘bersiap periode’ leeggeroofd en verwoest. De bewoners werden op het nippertje gered door de Gurkhas. In zijn woonhuis te Parapatan kwam tijdens de bezetting de Japanse Marine, respectievelijk gevolgd door de Britse Marine, de Nederlands-Indische Marine en uiteindelijk de Indonesische Marine. Deze villa met inhoud heeft hij ook nooit terug gekregen. Gelukkig had zijn bouwmaatschappij ‘Parapatan’ nog een huis op de Van Heutsz Boulevard, het latere Jalan Teuku Umar no. 15 (het huis op de foto). Dat huis kon hij betrekken. Ernaast, op no. 11, woonde zijn broer Han Khing Bie en op no. 13 woonde zijn zus Han Tek Nio. Bij zijn dood in 1951 verloor hij c.q. de familie ook dit laatste huis door de bezetting van de Pakistani.

Sioe Yao Kan, December 2013