Deze foto stamt uit het bezit van mijn schoonfamilie, de familie Tan Tek Peng. Hij is op 7 augustus 1937 gemaakt ter gelegenheid van de pasarmalam in Semarang. In de fauteuil zit, dromerig en ietwat afwezig kijkend, een Javaanse vorst uit Soerakarta (Solo). Hij is de Mangkoe Negoro (hij-die-de-wereld-op-schoot-heeft) de VII-de uit Soerakarta. Op de driezitsbank zitten van links naar rechts: mijn schoonmoeder Leontine Tan-Souw (mevrouw Tan Tek Peng) in haar karakteristieke houding van “waarom-overkomt-mij-ditnou”, daarnaast zit de echtgenote van de vorst Kandjeng Ratoe Timoer (vorstin-van-hetOosten) en geheel rechts emah (oma) Goei Ing Hong (haar man was de broer van mijn grootmoeder Thio-Goei). Oma Goei was de oudste dochter van majoor-titulair van Soerakarta Be Kwat Koen en werd vanwege haar sociale activiteiten op zeker moment verheven tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Naast mijn schoonmoeder staat zelfverzekerd mijn schoonvader Tan Tek Peng, directeur van handelmaatschappij Kian Gwan van het Oei Tiong Ham-concern. Achter oma Goei staat haar jongere zus Hendrika, echtgenote van Oei Tjong Hauw. Oei Tjong Hauw was president-directeur van het Oei Tiong Ham-concern en daarmee de baas van mijn schoonvader. Op de vierde plaats van rechts staat een aanverwant familielid Tan Liang Hoo, de secretaris van de pasarmalamvereniging.

Siti Noeroel, dochter van de vorst, staat met twee nichten direct achter mevrouw Tan Tek Peng. De man met de tulband, zesde van rechts is Patih Sarwoko, een soort premier van de vorst. De Europese vrouw met hoed, in het midden, is de secretaresse van de vorst. Links achter de secretaresse staat mevrouw Sarwoko.

De pasarmalamvereniging van Semarang was onderdeel van de plaatselijke vereniging van handelaren. Vanwege de prominente en ereplaatsen op de foto voor mijn schoonouders was schoonvader Tan Tek Peng waarschijnlijk de voorzitter van de handelarenvereniging en als zodanig de gastheer van de vorst. Uit bronnen binnen de familie weet ik dat er een goede en warme verstandhouding was tussen de vier vorstenhuizen uit de Vorstenlanden (1) en onze families. Bij de familie Goei Ing Hong logeerden bijvoorbeeld regelmatig de Mangkoenegoro en eenmaal de Soesoehoenan van Solo. Een andere reden van de goede onderlinge contacten was dat overgrootvader Be Kwat Koen als majoor der Chinezen in Soerakarta uit hoofde van zijn functie regelmatig te maken had met de vier vorstenhuizen. Voor mij geeft deze foto de sfeer weer van het woord ‘roekoen’. Een sfeer van saamhorigheid en eensgezindheid kenmerkt dit samenzijn van de Javaanse en Chinese elite van Midden-Java.

Oei Tiang Han, Oktober 2014

(1) In de Vorstenlanden op Java – Djokja en Solo – waren de twee vorstendommen in Djokja respectievelijk het vorstenhuis van de Sultan van Djokja (Hamengkoeboewono)en dat van de Pakoe Alam (de-spijker-die-dewereld-vasthoudt) en de twee vorstendommen in Soerakarta/ Solo dat van de Soesoehoenan van Solo (Pakoeboewono) en de Mangkoe Negara (hij-die-de-wereld-op-schoot-heeft)