Tijdens de Japanse bezetting moest zijn vader Kwee Kek Beng, als hoofdredacteur van het dag- en weekblad Sin Po, vanwege zijn fel anti-Japanse artikelen onderduiken. Via oom Gwan Thay, de oudste broer van mijn moeder, kon mijn vader met zijn gezin, een oud huis huren in een doodlopende gang aan de Cicendoweg in Bandung. Het huis Cicendoweg 17 (zie foto) was dicht bij het hoofdbureau van politie gelegen, aan de overkant van het Doofstommeninstiutuut. Later werd dit instituut het hoofdkwartier van de beruchte Japanse Militaire Politie, de Kenpeitai. Vader vond het prima om met zijn gezin op dit adres te schuilen. Zijn redenering was: ‘Als een tijger een vlieg wil vangen, dan moet de vlieg op zijn neus gaan zitten!’

Een paar maanden voor de Japanse capitulatie gebeurde er iets wonderbaarlijks. Op straat spelend zag ik plots dat de Kenpeitai bij de buren huiszoeking deed. Ik rende naar huis en waarschuwde mijn ouders. Mijn vader gooide onmiddellijk zijn onverzegelde radiotoestel (waarmee hij drie jaar lang stiekem had kunnen luisteren naar Radio Australië) in de waterput en verschool zich achter de pisangbomen in de achtertuin.

Er werd op de deur gebonsd en ik deed open. Een Japanse officier vroeg bars: ‘Sudah diperiksa ?!’ (Is er al doorzocht ?!). Ik knikte heftig van ja. Plots viel zijn oog op een staatsiefoto van de Japanse keizer Hirohito, die vader boven de opening van de kamer ensuite had opgehangen. Waarschijnlijk uit zelfbehoud. Als door de bliksem getroffen deinsde de Japanse officier achteruit (Japanners mochten hun keizer eigenlijk niet aanschouwen), boog diep en ging achterwaarts de stoeptreden af. Andere Japanse militairen die naderbij kwamen brulde hij toe: ‘Wij moeten verder, dit is o.k.’ Wij waren als door een wonder gered, en nog wel door de Japanse keizer !

Kwee Hin Goan, September 2014