
Maya H.T. Liem
Dit artikel van Maya H.T. Liem is in 2014 in het Frans verschenen in het tijdschrift Le Banian, 2014, no.17, speciale uitgave 'Orang Peranakan, les Chinois d'Indonésie. Titel: Ces jours-là étaient un enfer pour nous, Chinois ! Fragments de la Vie de Dr. Go In Tjhan dans la période de 1937-1946.
Het ontstaan van de ‘Groter Aziatische Eenheid’-gedachte die eind 19de eeuw ontsproot uit het brein van Japanse politici, had niet alleen invloed op de verhoudingen tussen Aziatische en Europese mogendheden, maar vooral ook op de onderlinge verhoudingen tussen de Aziatische landen zelf. Deze gedachte was erop gericht om de dominantie of agressie die vanuit Westerse landen en met name Rusland te verwachten viel, te breken. Japan zou zich moeten verenigen met Korea, China, Taiwan en andere Aziatische landen om dit doel te kunnen bereiken, zo ging de redenering. Deze unificatiegedachte mondde echter uit op een annexatiegedachte, waarbij Japan besloot de Aziatische landen in te lijven. China verzette zich en raakte vervolgens in de periode 1894-1895 en 1937-1945 in een hevige oorlog met Japan verwikkeld.
Japan richtte zijn blik eveneens naar Nederlands-Indië omdat de Nederlandse kolonie rijkdommen bezat in de vorm van olie, rubber en andere grondstoffen. Het land van de rijzende zon, zoals Japan zichzelf noemt, raakte in moeilijkheden doordat Amerika in juli 1941 wegens de Japanse agressie politiek een embargo instelde op de olietoevoer naar Japan, terwijl het land zelf nauwelijks olie produceerde. Om aan de benodigde grondstoffen te komen, zette Japan de aanval in op steden, marine-etablissementen en schepen in de wateren bij Nederlands-Indië en in het Indische-Oceaangebied en de Stille Zuidzee, waarop Nederland in december 1941 de oorlog verklaarde aan Japan.
Historisch onderzoek heeft reeds een talrijk aantal feiten zichtbaar gemaakt over de aanleiding, de voortgang en de gevolgen van oorlogsactiviteiten die Japan vanaf het einde van de 19de eeuw tot 1945 in Azië had ingezet. Er bestaat veel literatuur over de Japanse bezetting in Nederlands-Indië; met name naar de gevolgen daarvan voor de Nederlandse en de Nederlands-Indische bevolking is veel studie verricht. Welke betekenis de oorlogsactiviteiten van Japan in Azië voor Chinezen in Nederlands-Indië hebben gehad, is dankzij grondig onderzoek (van met name de Cornell University in de Verenigde Staten) aan het licht gekomen, hoewel er nog veel meer aandacht aan dit onderwerp geschonken zou moeten worden. Ofschoon de Japanse aanval en agressie niet direct gericht waren tegen de Chinezen in Nederlands-Indië, blijkt onder andere uit de publicaties van Mary Somers Heidhues (1965, 2003) dat dit deel van de bevolking evengoed veel te lijden heeft gehad. Chinezen in Nederlands-Indië waren ten tijde van de Japanse oorlogsactiviteiten in Azië in het bezit van een dubbele status; ze waren zowel Chinese staatsburgers alsook Nederlandse onderdanen. Als zodanig verkeerden ze als het ware vanuit twee kanten in een oorlog met Japan. Op emotioneel vlak werd dit inderdaad als zodanig beleefd door menig persoon die tot deze groep behoorde. Het introverte karakter van de groep heeft ertoe bijgedragen dat betrekkelijk weinig van deze beleving naar buiten is gekomen. Door een gelukkige omstandigheid zijn er documenten bewaard gebleven, waaruit fragmenten uit het levensverhaal van een Chinese arts, dr. Go In Tjhan, nagetrokken kunnen worden. De gebeurtenissen in het leven van dr. Go, als gevolg van persoonlijke keuzes, zijn niet representatief voor een zeer gevarieerde groep Chinezen die met diverse achtergronden en op verschillend tijdstippen naar Nederlands-Indië kwamen. Toch geven de fragmenten van zijn levensverhaal goed weer hoe de status van de meervoudige nationaliteit Chinezen ten tijde van de oorlog met Japan en in de vooravond van de onafhankelijkheid van Indonesië voor lastige loyaliteitskwesties kan plaatsen. Sympathie betonen voor een partij kan verregaande consequenties met zich brengen, zoals in het geval van dr. Go.
Dr. Go had op 29 jarige leeftijd deelgenomen aan de oorlog tussen Japan en China, toen hij de leiding kreeg over een onafhankelijke ambulancemissie die eind 1937 vanuit Batavia voor 1 jaar naar China werd gezonden door Chinezen in Nederlands-Indië. De missie werd uit ideologische motieven ondernomen, om steun te betuigen aan het land van hun voorouders. Tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië kreeg dr. Go opnieuw met Japanners te maken. Hij stond op de lijst van mensen die tijdens de Japan-China oorlog de kant van China hadden gekozen. Ook was dr. Go verwikkeld geraakt in verzetsactiviteiten tegen Japan die ditmaal in gang gezet werden door Nederlands-Indische verzetsstrijders. Aan de zijde van Nederland, waar hij onderdaan van was, riep hij niet alleen de vijandschap van de Japanners over zich af, maar ook liep hij de kans dat zijn sympathie voor Nederland hem niet geliefd zou maken bij de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders, die in feite zijn landgenoten waren. Dit artikel geeft beknopt weer hoe dr. Go, als deel van de Chinese bevolking van Nederlands-Indië, in onmogelijke oorlogssituaties verzeild raakte, waarbij het maken van een keuze voor een land hem niet alleen duur kwam te staan, maar bovendien dilemma’s met zich meebracht.
Dubbele nationaliteit, verdeeldheid en China missie
Aan het einde van de 19de eeuw werd een wetswijziging ten aanzien van overzeese Chinezen ingevoerd. In tegenstelling tot voorheen werden Chinezen die buiten China woonden, op basis van ius sanguinis (het recht van het bloed), erkend als Chinese staatsburgers. Voorheen werden Chinese landverlaters als landverraders beschouwd, waarbij de banden met hun geboorteland verbroken werden (Ko, 2014)1 . De wetswijziging gaf Chinese immigranten in het buitenland, waaronder in Nederlands-Indië, nieuwe hoop op herstel van de banden met hun geboorteland of land van hun voorouders.
De opkomst van het nationalisme in China, gevolgd door de vorming van de Chinese Republiek in 1912, had grote invloed op de Chinezen in Nederlands-Indië, die naast de status van Nederlandse onderdaan ook gerekend konden worden tot Chinese staatsburgers. Er ontstond een groeiende groep Chinezen die een grote verbondenheid met China voelden; deze groep werd vertegenwoordigd door de Sin Po groep (naar de gelijknamige dag- en weekbladen de Sin Po). Tegelijkertijd profileerde zich een andere groep Chinezen die Nederland als enig oriëntatie-land aanhielden: zij werden vertegenwoordigd door de vereniging Chung Hua Hui. Met het groeiende nationalisme op Java en andere delen van Nederlands-Indië, vormde zich een derde groep Chinezen, die steun gaf aan de vorming van een onafhankelijke Indonesische Republiek. Zij waren verenigd in Partai Tionghoa Indonesia (Partij van de Indonesische Chinezen) (zie voor een beknopte weergave Ravando, 2011: 10-12). De drie groepen discussieerden op regelmatige basis via de pers met elkaar, waarbij er over en weer ‘onaardig’ gesproken werd over de denkbeelden en de oriëntatie van de groepen.
De Japanse aanval op China in 1937 en de oorlog die daaruit voortvloeide, deed echter in alle gelederen van de Chinese bevolking in Nederlands-Indië sympathie voor China ontstaan. Daardoor verrees een gevoel van vijandigheid tegenover Japan, dat gestimuleerd en versterkt werd door anti-Japan propaganda in de pers (Ravando 2011:10). Door de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië (tevens ook door hen die voor studiedoeleinden in Nederland verbleven) werden grootscheepse inzamelingsacties voor de oorlogsslachtoffers in China gehouden. Een deel van het ingezamelde geld kwam ten goede aan de hierboven genoemde ambulancemissie naar China, die in december 1937 naar het oorlogsgebied vertrok. Aan de missie deden 23 mensen mee, geleid door dokter Go In Tjhan (Lie, 2003, Koh, 2003).2
Dokter Go In Tjhan en zijn ervaringen in China
Geboren op 30 juli 1908 in Malang uit Chinees-nationalistische ouders, volgde Go In Tjhan de HCS (Hollands-Chinese School) in Surabaya en ging in 1927 voor studie geneeskunde naar Batavia. Na 1 jaar zag hij kans naar Leiden te gaan waar hij tot 1932 verbleef om zijn studie voort te zetten. Echter, vanwege de economische crisis moest hij noodgedwongen terug naar Batavia waar hij zijn studie afrondde. In 1937 was hij als algemene arts werkzaam in Garut (West-Java), voordat hij besloot aan de ambulancemissie naar China3 deel te nemen. Go’s persoonlijke motivatie werd gedreven door diepe gevoelens van medeleven met het Chinese volk in het oorlogsgebied. Maar in een interview uit 1991 schetste de arts het beeld van de situatie in Nederlands-Indië ten tijde van de Japan-China oorlog, waaruit afgeleid kan worden dat de sympathie voor het Chinese volk een diepere maatschappelijke oorzaak had:
"Voor de Tweede Wereldoorlog hadden de Chinezen in Nederlands Indië een derde-rang positie, na de Europeanen (waarmee Japanners, gek genoeg, gelijkgesteld waren), en als tweede groep de Indische Nederlanders. Wij vormden samen met de Arabieren één van de gediscrimineerde groepen met de benaming 'Vreemde Oosterlingen’, wat vreemd was gezien onze Nederlands onderdaanschap.
Men keek op de Chinees neer. Wij dachten: "Als China maar sterk was, bij voorbeeld even sterk als Japan, zou men er wel voor oppassen ons te minachten." Die discriminatie was misschien ook de hoofdreden waarom er onder zovele Chinezen nationalistische gevoelens hoogtij vierden.
Op 7 juli 1937 viel Japan China binnen en veroorzaakte daar zo'n grote ellende, dat bij ons verontwaardiging en woede de overhand kregen.." (Liem en Tan, 1991:13)
Het gevoel als Nederlands onderdaan van Chinese afkomst gediscrimineerd te zijn, gekrenkte etnische trots en antipathie voor de Japanners voedden bij dr. Go, evenals bij anderen, als het ware de hoop een steentje te kunnen bijdragen aan de opbouw van China tot een sterke natie.
Na een verblijf van nauwelijks een jaar in het oorlogsgebied sloeg de stemming van hoop en hulpvaardigheid echter om in die van teleurstelling en frustratie. Het team kon niet de hulp bieden die het wenste te geven, omdat de oorlogssituatie het niet toeliet (voortdurend op de vlucht moeten, slechte omstandigheden in de veldhospitalen met een tekort aan medische voorzieningen en voedsel) en op regeringsniveau er in China geen eenheid heerste, zodat ook internationale medische hulpverlening niet op de nodige steun kon rekenen (problemen omtrent vergunningen, invoer van instrumenten en medicamenten etc).4 Toch was er lof voor de inzet en bekwaamheid van de deelnemers. Dr. Go wist zijn team heelhuids thuis te brengen. Voorts had de missie een aanzienlijke symbolische betekenis als morele steun van overzeese Chinezen aan het moederland.5
Japanse bezetting en verzet
In een interview met China Nu in 1980 en met Jade Magazine in 1991, vertelde dr. Go dat hij na de Japanse inval op Java in 1942 wederom met de Japanners te doen kreeg. Hij werd door de Japanners tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld. Aan China Nu vertelde hij dat dit te wijten was aan zijn deelname aan de missie van de Indische Ambulance. De Japanners zouden op de hoogte zijn geweest van zijn missie naar China en van zijn anti-Japan sentimenten. Vanwege dit feit zou hij, naar eigen zeggen, vroeg of laat opgepakt zijn geweest. Daar kwam echter bij dat hij betrokken was geraakt bij een ondergrondse beweging tegen de Japanners die vanuit Surabaya geleid werd door Wil Meelhuysen. Als kapitein-vlieger van de militaire luchtvaart van het KNIL, had Meelhuysen een uitgebreid netwerk van verzetsstrijders om zich heen gebouwd, dat uit zowel Nederlanders, Indische Nederlanders, Indonesiërs alsook Chinezen bestond. Het is niet duidelijk in hoeverre dr. Go actief gekozen had om zich bij de verzetsgroep aan te sluiten of uit humane overwegingen zijn diensten als arts had aangeboden. Bekend is alleen dat hij door Meelhuysen werd benaderd voor het opzetten van de medische afdeling van de groep (zie Van den Enk en Schreuder). Het verzet werd echter gebroken en er kwam een vroegtijdig einde aan de organisatie van Meelhuysen. Na intensief speurwerk kwamen de Indonesische rechercheurs, de politie van de PID (Politieke Inlichtingen Dienst) en de Kenpeitai de groep op het spoor. Vervolgens werden in december 1942 de eerste arrestaties verricht. Begin maart 1943 volgde de arrestatie van dr. Go en vele anderen (in totaal ca. 200 personen). Dr. Go kreeg een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd en werd in de gevangenis van Surabaya geplaatst (waar hij martelingen had ondergaan) om vervolgens naar de gevangenis in Sragen (bij Solo) overgeplaatst te worden. Na de Japanse capitulatie kon hij echter op 1 oktober 1945, na 2,5 jaar gevangenschap, worden vrijgelaten. Spoedig daarna vertrok hij (primair voor behandeling van tbc) naar Nederland waar hij voor de rest van zijn leven verbleef.6
Leed onder de Chinezen
Direct na aankomst in Nederland, in 1946, schreef dr. Go een artikel getiteld "De Japanse bezetting en de nawerking", waarin hij aandacht vroeg voor het lot van de Chinezen tijdens de zeer moeilijke periode van de Japanse bezetting en erna (Go I.T. 1946). Hij schreef niet over zichzelf. Op een indringende manier beschrijft hij daarin hoe de Chinese bevolkingsgroep in zijn algemeenheid onder de gewelddaden lijdt. Behalve over Japanse dwangmaatregelen (gedwongen dienstneming aan de Keibutai – een soort vrijwilligersleger), geestelijke controle door de Kempei en de P.I.D (Politieke Inlichtingen Dienst), verbod op verenigingen en vergaderingen, martelingen van gevangenen die algemeen voor de bevolking van Nederlands-Indië golden, schrijft dr. Go over zaken die de Chinezen in het bijzonder troffen, zoals de ‘systematische officiële plunderingen en inbeslagname van letterlijk alles door de Japanners zelf. Grote zaken, ondernemingen, fabrieken van Chinezen (de Hollandse en andere vreemde ondernemingen waren reeds automatisch geconfisqueerd) worden onder Japanse controle gezet onder de zg. Shokai (maatschappijen) waarvan aan het hoofd een Japanner stond terwijl de eigenaars mochten blijven werken tegen een belachelijk laag salaris.’ (Go, 1946: 15). Ook beklaagde Go er zich over dat de Japanners oogluikend toekeken, wanneer Indonesische agressoren geweld gebruikten tegen Chinezen, nl. ‘plunderingen van al onze bezittingen, een aantasting van de eer van onze meisjes, een gedwongen Islamisering door circumcisie van onze mannen’ zonder dat de Japanners maatregelen troffen (Go, 1946:15).
Voor zover bekend had dr. Go vanwege zijn medewerking aan het Nederlandse verzet persoonlijk geen problemen ondervonden van de Indonesische vrijheidsstrijders. Wel schrijft hij in hetzelfde artikel dat in de oorlog tussen Japan en Nederland, voor de Chinezen de Indonesische vrijheidsstrijders een derde partij vormden, waar men rekening mee te houden had. Want al sympathiseerde men met de Indonesische vrijheidsstrijd, Nederlanders puur uit humanitair oogpunt een helpende hand bieden in hun strijd tegen de Japanners kon opgevat worden als een antirevolutionaire activiteit. Veel Chinezen kozen om die reden voor neutraliteit of een passieve houding, wat hen in de ogen van alle drie partijen niet geliefder had gemaakt.
‘Voor de Chinese groep zijn de huidige omstandigheden een nieuwe beproeving. Er is waarschijnlijk geen enkele Chinees, die niet sympathiseert met de rechtvaardige zaak der Indonesiërs, maar practisch zit hij echt door zijn positie tussen hamer en aambeeld. Te Soerabaia zijn door de gevechten ongeveer 1000 doden en 400 gewonden gevallen onder de Chinese bevolking en nog worden ze bedreigd met vernietiging van huis en haard. Iedere aanraking met Hollanders, iedere humaniteitsdaad tegenover hen, wordt gewantrouwd of heeft kidnappen en moord ten gevolge. Het is de wens van de Chinezen momenteel, om zich afzijdig te houden. Alle politieke activiteit onder de Chinezen in de grote steden is stopgezet. Men durft geen enkele uitgesproken houding aan te nemen, omdat een eventuele verkeerde interpretatie een onaangename weerslag kan geven op de toestand der Chinezen in het binnenland. Aan de andere kant, geeft men –[…]- een dagblad uit, waarin een te nauwe samenwerking met de Indonesiërs tot uiting komt, dan wordt onmiddellijk de uitgifte daarvan door de Hollanders stopgezet.’ (Go, 1946: 18-19)
‘Men durft niet goed samen te werken met de geallieerde instanties. Zo werd door de radio door Soetomo de bedreiging geuit, dat, wanneer de Chinezen te Soerabaia zouden samenwerken met de Hollanders, zij, indien de Indonesiërs terugkomen te Soerabaia, zullen worden uitgemoord. Zo is ook deze na-oorlogse periode voor ons Chinezen nog steeds een boze droom, alleen met wat al te veel realiteit.’ (Go, 1946:19)
Dr. Go vreesde voor het lot van de Chinezen in Nederlands-Indië, maar kon in 1946 niet hebben vermoed dat vanaf de komst van de geallieerden, gedurende de politionele acties en in de perioden van machtsvacuüm ertussen menige Chinezen ten prooi vielen aan de chaos en strijd om de macht over het eilandenrijk. Beschrijvingen uit die periode, zoals door de journalist Kwee Thiam Tjing (alias Tjamboek Berdoeri), en publicaties uit latere perioden tonen aan dat dr. Go’s ‘noodkreet’ uit 1946 slechts een voorbode was van wat er nog volgen zou.
Aantekeningen, herinneringen en het levensverhaal van een individu maken nog niet de geschiedenis van een gehele bevolkingsgroep, maar ze brengen wel de nuances aan die voor een goede geschiedschrijving onmisbaar zijn. Het is daarom zaak om zoveel mogelijk informatie en levensverhalen zoals die van dr. Go te verzamelen om de nog betrekkelijk weinig bekende geschiedenis van de Indonesische Chinezen te kunnen bestuderen en begrijpen. Dit artikel is slechts een kleine aanzet tot het optekenen en het bestuderen van een van die levensverhalen. Er moet in feite nog met het grote werk begonnen worden.
Met dank aan:
Voetnoten
1 Zie ook Ko (1957) en Willmott (1961).
2 Lie (2003) plaatst het particuliere initiatief van Indonesische Chinezen om geneeskundige hulp te bieden aan China binnen de context van een globale ideologische en politieke strijd tegen het fascisme en imperialisme. Dit artikel belicht hetzelfde initiatief tevens vanuit de positie van Chinezen in Nederlands-Indië als burgers met meerdere nationaliteiten en verdeelde/samengestelde oriëntatie en ideologie. In hun artikel behandelen Go Tiong Han e.a. uitgebreider het onderwerp ‘Indische Ambulance’.
3 De ambulancemissie naar China wordt in de Nederlandse pers vaak ‘de Indische Ambulance’ genoemd. In China werd het ambulanceteam ook unit 36 genoemd.
4 ‘Doordat er geen eenheid was, kreeg het Rode Kruis veel te weinig steun van boven; het was allemaal niet goed geregeld, de middelen kwamen er niet: financiën, instrumenten en medicamenten. Ik moest zelfs naar Hanoi, om daar de Fransen te vragen of ze ons in godsnaam met medicijnen wilden helpen, we hadden het gewoon niet.’ ’Het was toen een enorme warboel en door al die moeilijkheden weet je op een gegeven moment niet meer wat je moet doen. Daarom ben ik eind 1938 weer naar Indonesië teruggegaan.’ (zie van Galen, 1980)
5 Het team ontving een onderscheiding van het Chinese Rode Kruis.
6 Dr. Go ontving het FIWI-wapenschild met oorkonde als deelnemer aan het verzet tegen de Japanse bezetter in Oost-Azië. In 1950 heeft hij de Verzetsster Oost-Azië 1942-1945 gekregen. Later, na 1980, heeft hij tevens het Verzetsherdenkingskruis mogen ontvangen.
Bronnen
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.