68 – Mijn vader Oey Tjeng Sit – 2/2

Foto 1 Kalligraferend

Apotheker, maar vooral kunstenaar

Mijn vader, Oey Tjeng Sit, werd geboren terwijl de vulkaan de Kloet (Gunung Kelud) kilometers verderop massa’s lava uitbraakte als om het heugelijke feit gepaste eer te bewijzen. Zijn moeder, Go Im Nio,  had hem in haar armen terwijl ze de onheilspellende asregen aan de horizon in het oosten waarnam. Zijn vader was Oey Joe Wan die eind 19e eeuw vanuit Amoy (nu: Xiamen), Fujian naar de vruchtbare archipel was vertrokken. Op Java aangekomen, arriveerden tegelijkertijd de eerste automobielen die een spectaculaire opmars zouden doormaken, ook op het uitgestrekte eiland. Als slimme handelaar begreep Joe Wan de enorme toekomstmogelijkheden van het vervoermiddel  en begon een handel in tweedehands auto-onderdelen. De moeder van Sit was een gewiekste handelsvrouw en dreef een winkel waar van alles te koop was, ‘van sarongs tot zoutbriketten’ zoals Tjeng Sit zich later herinnerde.
Mijn vader werd geboren in het Jaar van de Draak. Tjeng Sit betekent: Helder Solide.

Door het ontbreken van een burgerlijke stand voor Chinezen is zijn precieze geboortedatum niet bekend, maar volgens de Chineze jaartelling is hij geboren tussen 3 februari 1916 en 23 januari 1917. Wanneer een van zijn broers hem laat inschrijven op de lagere school noemt hij de eerste de beste datum die hem invalt: 17 maart 1917. Deze datum klopt dus zeker niet want een moeder van een Drakenkind zal zich niet vergissen in een astrologische jaar. Iemand die in het drakenjaar geboren wordt is vrij: zo wordt Sit ontheven van de plicht voor zijn ouders te zorgen en kan hij later naar Nederland vertrekken om te studeren.

Foto 2 Oey Tjeng Sit lopend naar de apotheek 1986
Foto 2 Oey Tjeng Sit lopend naar de apotheek, Amsterdam, 1986

Er werd thuis Javaans gesproken maar het was de Chinese cultuur van zijn vader die zijn opvoeding bepaalde. De kinderen bezochten naast de Hollands-Chinese School de Chinese lagere school. Op deze school kreeg hij lessen in de Chinese calligrafie, filosofie, religie en taal. Hier raakte hij voor het eerst geboeid door de vrolijke verhalen van de Chinese schrijver Wu Cheng’en (1500-1580) over de komisch, absurde lotgevallen van een aap die de Chinese volksziel personifieert. Het verhalenboek ‘Monkey’ zou hem zijn hele leven blijven fascineren door de lichtvoetige en speelse filosofische toon. Het vermijden van loodzware ernst omschrijft hij later, gevraagd naar het belang van zijn Chinese achtergrond, als typerend voor de Chinese mentaliteit.

In 1938 vertrok mijn vader naar Nederland waar hij farmacie ging studeren. Door het uitbreken van de oorlog duurde zijn studie maar liefst twintig jaar. Daarbij kwam dat hij eigenlijk meer belangstelling had voor beeldende kunst dan voor farmacie. In 1958 opende Apotheek Oey de deuren aan de Prinsengracht nummer 128.

Mijn vader bracht een groot deel van de dag door in de apotheek met farmaceutische bezigheden, tenminste, dat dacht ik. In werkelijkheid dronk hij vooral koffie, lunchte (nasi goreng), dronk witte wijn met zijn vrienden en rookte Gauloise-sigaretten zonder filter. Ook de wachtende klanten op de houten bank leverden hun bijdrage aan het geurenspectrum van apotheek Oey met een vers gestopte tabakspijp, Chanel nr. 5 van de dames van de Keizersgracht, een stinkende wond of een ongewassen hemd. De stomende kolenkachel maakte het mengsel van essences, geuren en walmen compleet. 

Foto 1 Volledige foto: Aan het werk, Schilderend.
Foto 1 Volledige foto: Aan het werk, Schilderend.

Later zou mijn vader de etalage van de apotheek gaan gebruiken voor het tonen van kunst, grafiek, installaties en performances. Apotheek Oey was in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een markante plek in Amsterdam: een zaak waar arm en rijk hun pillen kwam halen. Een plek ook waar kunstenaars, wetenschappers, wereldreizigers, hoogleraren en communisten mijn ouders kwamen bezoeken. Apotheek Oey werd een begrip in de Jordaan: een gezellige buurtapotheek met in de etalage onbegrijpelijke dadaïstische kunst van Tjeng Sit.

Na de sluiting van de apotheek in 1980 kon de toonbank in gebruik genomen worden als werktafel waar hij honderden collages en tekeningen zou maken. Apotheek Oey had eindelijk zijn definitieve bestemming gevonden.

René Oey, Amsterdam 2022

Bron: René Oey ‘Apotheek Oey’ van René Oey’ Amsterdam Uitgeverij de Vita 2020.
www.uitgeverijdevita.nl

67 – Mijn vader Oey Tjeng Sit – 1/2

Oey Joe Pian met luipaard hoofdfoto

Mijn vader, Oey Tjeng Sit, is volgens zijn paspoort in 1917 geboren in Poerwokerto, Midden-Java. Hij groeide op in een groot huis dat onderdak bood aan een mix van nationaliteiten, talen en culturen. Zijn moeder, Go Im Nio, beheerde met haar oude moeder een huisaltaar met Javaanse heiligenbeelden en geheimzinnige relikwieën. Zijn vader, Oey Joe Wan, moest daar niet veel van hebben. Hij was een zelfmade man van de nieuwe wereld die geloofde in vooruitgang en de handel en niet in huisaltaren voor huisgoden en stille kracht. Verder was de woning en de nabije omgeving vol met grote, kleurrijke en luidruchtige dieren. Het leek wel een tropische dierentuin waar Tjeng Sit in opgroeide. Zijn beide ouders werkten de hele dag en hij bracht als jongste kind zijn dagen vaak alleen door. Maar dieren waren er des te meer en zij werden zijn beste vrienden.

Jager

Tjeng Sit had een oom, Oey Joe Pian, die jager van beroep was. Deze oom leverde regelmatig levende wilde dieren aan voor de fauna van de familie Oey. Joe Pian was een indrukwekkende man met een zachte stem waarmee hij de meest fantastische verhalen vertelde. Hij beheerste de Kung Fu vechtsport die hem in staat stelde zich zonder moeite in het oerwoud te handhaven. Hij kon snel opzij springen als bijvoorbeeld een zwijn recht op hem afstormde. Hij schreef zijn naam op een manier die niet Chinees overkwam. Voor de naam Oey was een J aangeplakt. Die stond voor Jezus. Daardoor begreep men dat hij gedoopt was. Het maakte weinig uit want in het dorp was hij een held.

Oey Joe Pian met luipaard
Oey Joe Pian met luipaard

Val

Op de foto uit 1925 staat Oey Joe Pian afgebeeld als jager met een zojuist gedode luipaard die door twee dragers aan een stok gebonden wordt getoond. Een andere keer werd hij achternagezeten door een woeste buffel die het op de vluchtende Yoe Pian gemunt had. De enige plek waar hij zich veilig kon verstoppen was in een valkuil die hij zelf had gegraven om weer andere jungledieren te vangen. Daarin verborg hij zich terwijl de buffel stampvoetend de stevigheid van de val beproefde. Gelukkig was de val niet erg goed gemaakt, want de takken waren sterk genoeg om de buffel buiten te houden. 

Tjeng Sit was later dol op katten. Misschien is deze liefde voor katten ontstaan in zijn vroege jeugd.

René Oey, Amsterdam 2022

Bron: René Oey ‘Apotheek Oey’ van René Oey’ Amsterdam Uitgeverij de Vita 2020.
www.uitgeverijdevita.nl

65 – Ons leven in Nederland, Indonesië en China – 3/4

Kuk terug in het dorp

Mijn naam is Chen Youli (陈有理) maar mensen kennen mij als Kuk. Mijn voorouders zijn lang geleden uit China naar Indonesië geëmigreerd. De familie was al meer dan 5 generaties in Indonesië toen ik werd geboren. Ik ben geboren in 1950 in Surabaya. Bij mijn geboorte kreeg ik de naam Tan Joe Li. Mijn ouders zijn ook in Indonesië geboren. Mijn vader, Tan Tjing Wie (陈曾唯) in 1912. Mijn moeder, Tan An Nie (陈安尼) in 1917. Zij is ook bekend als Anny Tan.

Mijn beide ouders studeerden voor de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Mijn moeder studeerde wiskunde in Utrecht, mijn vader economie in Rotterdam. Mijn vader was in de jaren dertig heel actief in de Chinese studentenvereniging Chung Hwa Hui Nederland. Hij zat in de jaren 1937-1939 in het bestuur en behoorde tot de linkervleugel. Mijn ouders hebben elkaar leren kennen in de Chung Hwa Hui. Ik ben dus geboren in een intellectuele familie.

In 1939 zijn ze teruggegaan naar Indonesië en daar getrouwd. In januari 1961 zijn mijn ouders met mij, mijn broer en jongere zusje uit Indonesië vertrokken naar Xiamen in de provincie Fujian in China. Mijn vader is in 1994 overleden, mijn moeder in 2007. Ik woon nog steeds in Xiamen. Ik werk nu voor de Overseas Chinese die op zoek zijn naar hun ‘roots’ in China.

De volgende vier verhalen gaan over de verschillende periodes in het leven van mijn ouders en van mij. Lees hier het eerste verhaal en tweede verhaal.

Youli (Kuk) als landarbeidster: een periode om nooit te vergeten
Door de Culturele Revolutie in China waren de scholen van 1966 tot 1969 gesloten. De studenten van
de middelbare- en hogescholen konden niet meer verder studeren. We werden door Voorzitter Mao
Zedong naar het arme landbouwgebieden gestuurd.
In mei 1969 ben ik met 6 studenten van onze school naar het dorp Zhang Feng gestuurd dat tussen
de hoge bergen in het westen van de provincie Fujian lag. Gelukkig kregen we wel twee begeleiders
mee.
We namen eerst de trein naar stad Longyan en daarna gingen we vroeg in de ochtend om half zeven
verder met een vrachtauto. We stapten om 16.30 uur uit in dorp Linfang. Oh, ik schrok mij dood. Er
bleek geen autoweg naar ons dorp Zhang Feng te zijn. We waren moe en nerveus en we moesten ons
haasten. We liepen 2,5 km langs een kleine bergweg naar het dorp. Oudere mensen hielpen ons
door de bagage op te halen. Uiteindelijk kwamen we aan op het plein voor het
brigadehoofdkwartier. Nadat onze begeleiders terug waren gegaan, leidden de kaderleden van de
brigade ons naar de plek waar we zouden wonen en namen ons daarna mee naar de boeren om te
eten.
De boeren uit het dorp hadden nog nooit mensen uit de steden gezien. We werden als een soort
beesten in de dierentuin bekeken, en wij zagen hen als een soort primitieve inboorlingen. Iedereen
was nieuwsgierig naar de opgeleide jongeren uit de stad maar ze waren heel vriendelijk en
enthousiast.

Afbeelding 1 Terug in het dorp 1/2


De eerste (angstige) dag
Die eerste avond bespraken we, drie meisjes, dat we samen naar de publieke wc zouden gaan. We
liepen 3 of 4 minuten in het donker met zaklampen naar het toilet. Wah! We schrokken. Het bleek
dat er twee hurktoiletten waren, en de mannen en vrouwen niet waren gescheiden. Je kan zo maar
elkaar door de bamboemuur begluren en lekker met elkaar babbelen. De deur was maar halfhoog en
je moest hurken op twee lange planken naast elkaar. De boeren gebruikten geen wc-papier maar
kleine stukjes bamboe om hun billen schoon te maken. Gelukkig was het ‘s nachts zo donker dat we
de maden niet zagen die in de beerput bewogen.
We moesten ons aan ons nieuwe leven aanpassen. We hebben later zelf een badkamer laten maken.
De boeren waren erg hartelijk en lief voor ons. Wij kookten voor onszelf en wij kregen heel veel
groenten cadeau van de boeren. Later hebben we de boeren geholpen met stroom aan te leggen.
Een paar studenten gaven ook les op de lagere school in het dorp. Wij plantten zelf groenten, hielden
kippen, eenden en zelfs varkens.

Ik heb daar twee en een half jaar moeten werken. Het was heel zwaar voor mij. Ons dorp had geen
autowegen, geen waterleiding, geen elektriciteit. De huizen hadden ook geen toilet. We moesten
alles doen in een houten-emmer in de slaapkamer. De boeren zelf hadden thuis ook geen badkamer. 
Het was ook een pijnlijke periode van training. We woonden met z’n zessen in hetzelfde gebouw.
Beneden was onze keuken. De eerste keer dat ik naar de rivier moest om water te halen kon ik maar
een halve emmer water dragen. Mijn schouders begonnen op te zwellen door het gewicht. Ik moest
steeds denken dat ik met mijn gezwollen schouders weer het water moest dragen. Zonder sterk
doorzettingsvermogen, zou ik de pijn niet hebben kunnen overwinnen. Maar na een week kon ik het
water steeds beter dragen, wat heel fijn was.
In het voorjaar moesten we rijstplanten dragen met een pikulan op een rode modderige helling. Er
was bijna geen onkruid om op te stappen. Een keer ben ik uitgegleden maar ik stond direct weer op
en ging verder naar de heuvel Daping, 1 kilometer verderop. Als het regende, was ik doodsbang om
deze heuvel te zien! Tot nu toe zit deze modderige heuvel nog steeds diep in mijn gedachten, en ze
wil maar niet weg.


In de herfst was het zeer vermoeiend om anderhalve maand lang elke ​​dag voorovergebogen te staan
om rijst te oogsten. Na de oogst brachten we die natte rijst met een pikulan naar het dorp. Nadat de
rijst was gedroogd, moesten we ongeveer 15 duizend kilo naar Linfang brengen om ‘aan het land’ te
leveren, een soort belasting. De rest van de oogst mochten de boeren zelf verdelen. In de jaren ’90
was dat niet meer nodig en kregen de boeren juist geld van de overheid als steun.
Iedereen moest met een pikulan ongeveer 50-60 kilo graan dragen naar Linfang, 2,5 km verderop.
Dat was voor ons kinderen die uit de grote steden kwamen heel zwaar. Het was echt een zware
periode tijd voor ons.

Afbeelding 2 Terug in het dorp 1/2


De invloed van deze periode op mijn verdere leven
Ik heb in mijn leven maar vier en een half jaar op een formele Chinese school gezeten. Als gevolg van
de Culturele Revolutie en de Beweging voor Opgeleide Jongeren ben ik ‘naar de landbouw’ gestuurd.
Mijn opleidingsniveau was daarom erg laag. In september 1971 zorgde de regering dat wij opgeleide
jongeren weer terug naar de steden mochten om te werken. Ik kreeg werk in een grote glasfabriek in
Xiamen. Voor dit nieuw werk werd ik eerst naar Shanghai gestuurd om te leren hoe ik met de
machines moest omgaan. Het was erg leuk in Shanghai, ik heb veel geleerd en veel gezien.
Na de Culturele Revolutie konden kinderen van docenten en werknemers aan de Xiamen University
gaan werken als hun ouders met pensioen gingen. Omdat mijn vader en moeder ervan verdacht
waren spionnen te zijn, mochten hun kinderen pas bij de Universiteit werken toen ze in 1976 werden
gerehabiliteerd.


Ik werd in juni 1985 van de glasfabriek naar de Xiamen Universiteit overgeplaatst en ben gaan
werken bij de Overseas Chinese Federation van Universiteit van Xiamen. Ik werkte graag maar ik
studeerde daarnaast ook boekhoud- en managementkunde. Ik behaalde de titel van senior
technicus. Mijn boekhoudwerk is talloze keren gecontroleerd door de overheid en de Universiteit en
is goedgekeurd en geprezen. Ik ben in 2000 met pensioen gegaan.


Na mijn pensioen ben ik als vrijwilliger gaan werken bij de Federatie van Overseas Chinese in Siming
District en Binhai Street. Ik help de afstammelingen van Chinezen uit Indonesië die over de hele
wereld verspreid zijn hun roots te vinden. Dit is niet eenvoudig. Je moet goed op de hoogte zijn van
de geschiedenis van overzeese Chinezen, de geschiedenis van de Qing-dynastie, traditionele Chinese
cultuur, de gebruiken en de geografie. En je moet verschillende talen spreken: Nederlands,
Indonesisch, Chinees, Hokkian en oud Chinees. Ik heb meer dan 80 stamdorpen kunnen vinden.
Omdat ik in verschillende talen met families kan communiceren, heeft dit de relatie tussen het moederland en hen verdiept. Veel Chinezen doneren graag materiaal aan het Overseas Chinese
Museum Xiamen om de leemten in het historische materiaal van mijn land op te vullen.


In de jaren ‘80, kregen de boeren thuis al waterleiding, koelkasten en TV. Grote wegen werden in
deze jaren door het hele land aangelegd. Het dorp werd hoe langer hoe rijker. Ik ben een paar keren
speciaal in mijn oude dorp een kijkje gaan nemen, en ik verwonderde me dat in zo’n arm dorp in zo’n
korte tijd de levensstandaard zo vlug omhoog was gegaan.


Terugkijkend op mijn leven, heb ik door dat leven op het land veel doorzettingsvermogen gekregen.
Ik ben niet bang voor ontberingen, vermoeidheid of tegenslagen. Ik begrijp het dorp en de boeren en
begrijp de moeilijkheden van het vinden van een stamdorp van 200-300 jaren geleden.


Slotopmerkingen
Als een goed opgeleide jongere in China heb ik geen spijt van mijn leven en deze opgeleide
jeugdgeest. De opgeleide jeugd zal voor altijd blijven bestaan. We hebben persoonlijk ons ​​arme
moederland met onze handen opgebouwd. We zijn de meest ijverige opgeleide jeugd ter wereld.


Chen Youli (Kuk), Xiamen

64 – Ons leven in Nederland, Indonesië en China – 2/4

Mijn naam is Chen Youli (陈有理) maar mensen kennen mij als Kuk. Mijn voorouders zijn lang geleden uit China naar Indonesië geëmigreerd. De familie was al meer dan 5 generaties in Indonesië toen ik werd geboren. Ik ben geboren in 1950 in Surabaya. Bij mijn geboorte kreeg ik de naam Tan Joe Li. Mijn ouders zijn ook in Indonesië geboren. Mijn vader, Tan Tjing Wie (陈曾唯) in 1912. Mijn moeder, Tan An Nie (陈安尼) in 1917. Zij is ook bekend als Anny Tan.

Mijn beide ouders studeerden voor de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Mijn moeder studeerde wiskunde in Utrecht, mijn vader economie in Rotterdam. Mijn vader was in de jaren dertig heel actief in de Chinese studentenvereniging Chung Hwa Hui Nederland. Hij zat in de jaren 1937-1939 in het bestuur en behoorde tot de linkervleugel. Mijn ouders hebben elkaar leren kennen in de Chung Hwa Hui. Ik ben dus geboren in een intellectuele familie.

In 1939 zijn ze teruggegaan naar Indonesië en daar getrouwd. In januari 1961 zijn mijn ouders met mij, mijn broer en jongere zusje uit Indonesië vertrokken naar Xiamen in de provincie Fujian in China. Mijn vader is in 1994 overleden, mijn moeder in 2007. Ik woon nog steeds in Xiamen. Ik werk nu voor de Overseas Chinese die op zoek zijn naar hun ‘roots’ in China.

De volgende vier verhalen gaan over de verschillende periodes in het leven van mijn ouders en van mij. Lees hier het eerste verhaal.

Deze foto is gemaakt in 1961 op het schip de “Mei Shang Mei” naar China. Het is de Club van intellectuele families uit Indonesië. Mijn moeder staat op de achterste rij, 7e van links. Mijn vader zit en is de 10e van links

Het gevoel van mijn ouders voor China

Mijn ouders zijn in 1939 uit Nederland teruggekeerd naar Indonesië. Het land maakte de jaren daarna een roerige tijd door. De Japanse bezetting en de beginjaren van de Republiek waren een periode van oorlog en geweld.  De situatie werd in de jaren na de Soevereiniteitsoverdracht in 1949 steeds lastiger voor de Chinezen.

Mijn ouders spraken geen Chinees meer maar zij wilden wel dat hun drie kinderen Chinees leerden, naast het Indonesisch en het Nederlands. Wij zaten als kind op een Nederlandse school. De Indonesische overheid wilde dat het Nederlands onderwijs zou verdwijnen en onze ouders voelden zich daardoor steeds meer in het nauw gedreven. Toen ook in 1957 alle Nederlanders het land uit moesten en ook er steeds meer anti-Chinese maatregelen kwamen, ontstond het idee bij mijn ouders om Indonesië te verlaten en naar China terug te gaan. 

Ik herinner mij dat ik als kind naar mijn vader en moeder luisterde die het verhaal vertelden over de Lange Mars:

Het rode leger moest per dag 50 km lopen, en om de drie dagen moesten ze vechten. Om de 300 meter sneuvelde een dappere soldaat. De Lange Mars ging door 15 provincies. Ze moesten over 20 hoge bergen klimmen die het hele jaar door besneeuwd waren, vijf bergen waren de hoogste bergen van de wereld. Het Rode Leger moest 30 rivieren oversteken, het water stroomde griezelig hard. Ze moesten ook nog door het hoogste moeras lopen dat er boven de zeespiegel bestaat. 30 duizend soldaten moesten het opnemen tegen meer dan 100 duizend vijanden en moesten de Dadu rivier oversteken. Vliegtuigen bombardeerden het Rode Leger. Vanaf de overkant van de rivier werd het Rode leger beschoten met kanonnen. Toch is het zo gelukt om de Volksrepubliek China te stichten. Door de Lange mars heeft de Communistische Partij China de weg kunnen vinden naar de Bevrijding van China. Dat is een geweldig wonder in de geschiedenis van de mensheid.

Door deze heldhaftige verhalen hadden mijn ouders groot respect voor de communisten. Ze zagen een prachtige toekomst voor China. Daarom wilden ze terug naar China gaan.

Ik heb een geschiedenisboek gekocht over de Lange Mars met de Engelse titel ‘Misery and Glory’.  De schrijver Jin Yinan zegt hierin: ‘Als je deze geschiedenis goed begrijpt, begrijp je het huidige China en de toekomst van China.’

In 1960 deed premier van China Zhou Enlai een oproep: ‘Intellectuelen, doe mee aan de opbouw voor nieuw China!’. Toen namen mijn ouders het besluit om terug te gaan naar China. In 1961 vertrokken we naar Xiamen. We verruilden ons relatief luxeleven in Indonesië voor een leven in China waar op dat moment al drie jaar een hongersnood aan de gang was.

Wij werden door Zhong Qiao Wei (het Bestuur van China voor Overseas Chinese) in de provincie Fujian geplaatst, de provincie van waaruit onze verre voorouders waren vertrokken. Bij aankomst werden wij heel hartelijk ontvangen door de Overseas Chinese vereniging van China en van Xiamen. Zij hebben ons toen ook erg goed geholpen.

Het leven in Xiamen was niet makkelijk. Alles was op de bon en wij hadden geen wasmachine, geen koelkast, geen piano en geen auto meer zoals we in Indonesië hadden gehad.

Het was zeker ook heel moeilijk voor mijn vader en moeder om ons groot te brengen. Het is ongelooflijk dat ze hebben kunnen wennen aan het leven hier in China. Ze bleven altijd vrolijk. En daarom heb ik groot respect voor mijn ouders. 

Tijdens de Culturele Revolutie en vooral door die foto’s van de Chung Hwa Hui werden mijn ouders ervan verdacht nationale spionnen te zijn. Ze hebben het psychisch toen heel zwaar gehad. Toch zijn ze in China blijven wonen. Onze familie en vrienden in het buitenland konden dit niet begrijpen.

Mijn ouders werkten allebei, maar naast hun werk hadden ze ook nog tijd om met professor Huang Wenying een boek te schrijven over de Chinezen in Jakarta tijdens de koloniale tijd. Dit boek is teruggevonden door The Center for Southeast Asian Studies van de Universiteit van Xiamen.  Het is een belangrijk boek en is in 2020 gepubliceerd. Het is jammer dat mijn vader en moeder dit niet hebben kunnen meemaken. 

Deze foto is in 1961 gemaakt in Fuzhou, de hoofdstad van de provincie Fujian, in het park “Sie Hoe”. De Chinezen uit Indonesië die in Fujian waren geplaatst moesten eerst vanuit Guangzhou naar Fuzhou gaan. Mijn ouders zijn de 4e en 5e van links van de staande rij. Ik sta half voor mijn vader.

Tegen het einde van haar leven dacht mijn moeder na over haar leven en over de keuzes die zij had gemaakt. 

Zij besloot om na haar dood haar lichaam ter beschikking van de wetenschap te willen stellen. In 2002, ze was toen 85 jaar, is zij naar de notaris gegaan om vast te laten leggen dat haar lichaam aan de Medische Faculteit zou worden geschonken. Zij was de eerste persoon in Xiamen die dat ooit had gedaan. 

Mijn moeder vertelde mij dat ze nooit spijt heeft gehad van de weg die ze hadden gekozen. De moeilijke tijd in de Culturele Revolutie was ‘nasip’ (pech) en het had niets te maken met haar gevoel over de terugkeer naar China. In het Chinees is daar een uitdrukking voor: het hart om terug te keren naar China mag niet door de culturele revolutie betaald worden.

Mijn ouders hadden veel verwachtingen voor de toekomst van China en vestigden hun hoop op de Communistische Partij. Ze hebben een prachtig leven gehad in China. Ze hebben heel veel voor hun land kunnen doen en waren heel blij en trots! Hun gevoel voor China zal voor ons en hun nakomelingen altijd een inspiratiebron blijven.

Wij hebben de geweldige ontwikkeling van de stad Xiamen zelf kunnen meemaken.  Heel China is goed vooruitgegaan. China begon als een heel arm land en is nu een sterker en rijker land geworden. En het zal steeds beter gaan. De Communistische Partij van China wordt 100 jaar. We mogen niet vergeten dat de partij aan de wieg van het huidige China stond.

Ik hoop in de laatste jaren van mijn leven net zo veel voor China te kunnen doen als wat mijn vader en moeder voor China hebben gedaan. Mijn huidige werk dat ik samen met de Vereniging Overseas Chinese doe, is de afstammelingen van Indonesische Chinezen helpen om hun stamdorp te kunnen vinden, en hun naar hun stamdorp brengen.  

Chen Youli (Kuk), Xiamen 

Het levensverhaal van Tan An Nie is opgeschreven door Leonard Blussé in het boek ‘Retour Amoy. Anny Tan een vrouwenleven in IndonesiëNederland en China. Uitgeverij Balans (2000).

63 – Ons leven in Nederland, Indonesië en China – 1/4

Mijn naam is Chen Youli (陈有理) maar mensen kennen mij als Kuk. Mijn voorouders zijn lang geleden uit China naar Indonesië geëmigreerd. De familie was al meer dan 5 generaties in Indonesië toen ik werd geboren. Ik ben geboren in 1950 in Surabaya. Bij mijn geboorte kreeg ik de naam Tan Joe Li. Mijn ouders zijn ook in Indonesië geboren. Mijn vader, Tan Tjing Wie (陈曾唯) in 1912. Mijn moeder, Tan An Nie (陈安尼) in 1917. Zij is ook bekend als Anny Tan.

Mijn beide ouders studeerden voor de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Mijn moeder studeerde wiskunde in Utrecht, mijn vader economie in Rotterdam. Mijn vader was in de jaren dertig heel actief in de Chinese studentenvereniging Chung Hwa Hui Nederland. Hij zat in de jaren 1937-1939 in het bestuur en behoorde tot de linkervleugel. Mijn ouders hebben elkaar leren kennen in de Chung Hwa Hui. Ik ben dus geboren in een intellectuele familie.

In 1939 zijn ze teruggegaan naar Indonesië en daar getrouwd. In januari 1961 zijn mijn ouders met mij, mijn broer en jongere zusje uit Indonesië vertrokken naar Xiamen in de provincie Fujian in China. Mijn vader is in 1994 overleden, mijn moeder in 2007. Ik woon nog steeds in Xiamen. Ik werk nu voor de Overseas Chinese die op zoek zijn naar hun ‘roots’ in China.

De volgende vier verhalen gaan over de verschillende periodes in het leven van mijn ouders en van mij.

Amsterdam 23 maart 1938. Leden van de Chung Hwa Hui in Chinese kleding voor het toneelstuk de Chinese bruiloft. De cirkels zijn tijdens de Culturele Revolutie door de Rode gardisten op de foto getekend. Op de foto: Tan Tjing Wie en Tan An Nie

De hulpactie ten bate van de Noodlijdende Bevolking van China (1938)

Mijn ouders waren net als de meeste Chinese studenten in Nederland voor de oorlog lid van de Chinese studentenvereniging Chung Hwa Hui Nederland. In 1938 besloot Chung Hwa Hui Nederland om mee te doen aan ‘de hulpactie ten bate van de Noodlijdende Bevolking van China’. China was in oorlog met Japan en er waren zeer veel burgerslachtoffers. De Chung Hwa Hui stond niet bekend om haar politieke stellingname maar in dit geval wilde de vereniging wel meedoen aan deze actie die door enkele studenten was gestart.

Een van de activiteiten was een culturele voorstelling om geld op te halen. Mijn ouders waren heel actief in het organiseren van de voorstelling. Mijn vader ging onder andere met de Chinese zeelui overleggen over de voorstelling. Mijn beide ouders deden ook zelf mee aan een toneelstuk. De voorstelling ging langs verschillende steden: Utrecht, Amsterdam, Rotterdam en Delft. 

Leden van de Chung Hwa Hui bij een van de voorstellingen. Op de achtergrond is de vlag van de Kuomintang, de huidige vlag van Taiwan te zien. De kruizen zijn tijdens de Culturele Revolutie door de Rode Gardisten op de foto getekend.

De voorstellingen werden in maart 1938 gehouden en bestonden onder andere uit een toneelstuk over een Chinese bruiloft en een toneelstuk met Chinese zeemannen (uit China) die in Rotterdam woonden. Verder werd er op Katendrecht in Rotterdam muziek gemaakt door Chinese zeemannen en van de Rotterdamse burgemeester mocht er door de hele stad gecollecteerd worden. De studenten kregen gratis brood van de bakkers in Rotterdam en ‘s avond mochten ze allemaal ook gratis eten in Chinese restaurants op Katendrecht. In Utrecht zorgde de rector magnificus van de Universiteit ervoor dat zij in de meest luxe schouwburg mochten spelen. Daar waren de kaarten het duurst en ze konden daarom in Utrecht veel geld ophalen.  Mijn moeder werd in het kader van de hulpactie gevraagd om te lunchen met de directeur van de Bijenkorf.

De Chinese bruiloft.
De Chinese bruiloft.

Mijn moeder heeft mij verteld dat ze om 6 uur in de middag uit Utrecht naar Rotterdam vertrokken. Daar gingen ze eerst nog oefenen voor het toneelstuk. Na het avondeten bij een Chinees restaurant op Katendrecht was er de voorstelling. Om 11 uur ‘s avonds waren ze klaar maar ze gingen nog verder ‘babbelen’ met de Chinese zeemannen over de ervaringen op het toneel. Om 12 uur ‘s nachts namen ze de laatste trein terug naar Utrecht. Een Hollandse vriend, Hans Schutte, heeft mijn moeder met de fiets afgehaald en haar naar een Chinese student gebracht om een typemachine te lenen. Zij heeft toen ’s nachts nog een verslag over de hulpactie geschreven. Het verslag ging met de eerste post mee voor de krant. Het was 4 uur in de ochtend toen mijn moeder klaar was met haar werk. Toen pas kon ze gaan slapen. 

Mijn vader speelde in het toneelstuk de schoonvader van de bruidegom. Bij een traditioneel Chinees huwelijk moet de schoonvader een rode enveloppe met geld op het dienblad leggen waar de theekopjes op staan. Mijn moeder serveerde een kopje thee voor de bruidegom.  Mijn vader was een grappenmaker. Bij de tweede voorstelling in Rotterdam legde hij geen enveloppe op het dienblad maar een fopspeen. Het publiek kon dit niet zien maar de medespelers wel en ze moesten hun lachen inhouden tot na de voorstelling. 

De Chinese bruiloft.
De Chinese bruiloft.

De foto’s die van de verschillende voorstellingen zijn gemaakt, hebben mijn ouders altijd goed bewaard. Ze werden mee teruggenomen naar Indonesië en later weer meegenomen naar China. Ze konden in 1938 niet bevroeden dat deze foto’s tientallen jaren later nog een rol zouden gaan spelen in hun leven.

Culturele Revolutie

De Culturele Revolutie in China, die in 1966 begon, was voor mijn ouders een moeilijke tijd. Zij werden door de Rode Gardisten als ‘verdacht’ aangemerkt omdat ze uit Indonesië kwamen en in Nederland hadden gestudeerd. Er werden bij ons thuis huiszoekingen gedaan waarbij de foto’s van de toneeluitvoeringen uit 1938 werden gevonden. Op een van de foto’s is de vlag van de Kuomintang (nationalisten) te zien. Het geld dat in 1938 bij de hulpactie was ingezameld, werd via de Chinese ambassade, overgemaakt. De ambassade vertegenwoordigde de Kuomintang regering. Mijn ouders werden daardoor, zoveel jaren later, verdacht van steun aan de vijand, de Kuomintang. De cirkels en de kruizen op foto 1 en 2 zijn getekend door de Rode Gardisten.

Chen Youli (Kuk), Xiamen 

Het levensverhaal van Tan An Nie is opgeschreven door Leonard Blussé in het boek ‘Retour Amoy. Anny Tan een vrouwenleven in IndonesiëNederland en China. Uitgeverij Balans (2000).

3 – Vrouwenclub Chung Hua Fu Nu Hui uit Semarang

Datum schenking        : 12 juli 2019

Schenker                     : de heer Liem Sik Jauw

Schenking

13 foto’s van de Semarangse Vrouwenclub Chung Hua Fu Nu Hui (中华妇女会)

De foto’s van de Vrouwenvereniging tonen onder andere de jubileumviering in 1953, het jaar van haar 15-jarig bestaan. De overige foto’s geven een beeld van de verschillende bijeenkomsten, activiteiten en excursies van de club. Drie foto’s zijn genomen door de bekende Semarangse fotostudio: Tan Tat Hin-studio.

Toelichting

In 1953 was mevrouw Goei Ing Hong (geboren Be Soen Nio) de voorzitter van deze Vrouwenclub in Semarang. Op de bestuursfoto (foto 1) is zij de 5de van links. Zij was in Semarang onder andere bekend vanwege haar vele sociale activiteiten. Zij werd voor haar werk geridderd in de Orde van Oranje-Nassau. Naast haar, de 6de van links, staat mevrouw Liem Lian Kie (geboren Oen Djian Nio). Zij is de grootmoeder van de schenker. De club die vele leden telde had verschillende subclubs, waaronder een toneelclub en een zwemclub. In 1941 werd een excursie georganiseerd naar Tawangmangu, een bergdorp in Midden-Java en in 1953 naar het Toba-meer in Sumatra. Bij het laatste uitstapje stond een boottochtje over het meer ook op het programma.

De foto’s geven een indruk van het sociale clubleven van Chinese vrouwen in Semarang in de vijftiger jaren. De club werd gezien haar 15-jarige jubileum in 1953 in 1938 opgericht. Gezien het grote aantal leden voorzag de club in een behoefte. Er was een breed aanbod van activiteiten waar de vele leden aan konden deelnemen. Het aanbod was gericht op de individuele ontwikkeling van de leden.  Er werden echter bijvoorbeeld ook uitstapjes buiten Semarang georganiseerd.

Belang van de schenking

Er is weinig bekend over Chinese vrouwenverenigingen en hun activiteiten. De bijdrage van Liem Hoo Soei over de kookles in 1936 van de Yogyase Chinese vrouwenvereniging Tiong Hoa Hoe Lie Hwee, opgericht in 1932 is het enig andere voorbeeld dat wij kennen (Rubriek Foto met Verhaal 3: Kookles in Yogya (1936).

Mevrouw Goei Ing Hong staat ook op de foto in Foto met verhaal 23: ‘Twee elites in de nadagen van het koloniaal tijdperk’ waar zij ‘oma Goei’ wordt genoemd.

Foto’s bij schenking Liem Sik Jauw

Foto 1 Groepsfoto van 12 vrouwen

Bestuur Chung Hua Fu Nu Hui waktoe bikin Toneel (Bestuur Chung Hua Fu Nu Hui tijdens toneelvoorstelling)

Foto 2 Groepsfoto bij een gedekte tafel

Foto 3 Groepsfoto van een volle zaal

Chung Hua Fu Nu Hui 15 Tahun Jubileum (Chung Hua Fu Nu Hui 15-jarig jubileum)

Foto 4 Groepsfoto bij het zwembad

Chung Hua Fu Nu Hui Bagian Bernang (Chung Hua Fu Nu Hui afdeling zwemmen)

62 – Een bruiloft tijdens de Japanse bezetting

Patricia Tjiook Liem

Fragment van de foto. Volledige foto is onderaan te vinden.

Op deze foto ben ik (rechtsonder) zes jaar oud en strooimeisje bij het huwelijk van mijn tante in Semarang. Tante Lhin is het jongste zusje van mijn moeder. Lang heb ik als vanzelfsprekend aangenomen dat de foto werd genomen na de Japanse bezetting. Pas kortgeleden hoorde ik tot mijn verrassing van Mayke, de dochter van tante Lhin dat het huwelijk plaats had gevonden op 10 mei 1945, drie maanden vóór de capitulatie van Japan. Steeds heb ik de Japanse bezetting die ik als klein kind meemaakte geassocieerd met oorlogsactiviteiten en daar viel een bruiloft niet onder. Nu realiseer ik mij dat in oorlogstijd voor velen het gewone leven zo goed en zo kwaad als het ging moest doorgaan, en dat huwelijken dan ook werden gesloten.

Tijdens de Japanse bezetting had ons gezin onze woonplaats Cheribon met achterlating van woonhuis en fabrieken moeten verlaten. Wij brachten de oorlogsjaren in Semarang door, waar wij in de Chinese wijk woonden. Semarang, een grotere stad was veiliger en waarschijnlijk een voor de hand liggende keuze omdat mijn grootouders van moeders kant daar woonden. Pas na de Japanse bezetting kreeg mijn vader de twee geconfisqueerde fabrieken terug, niet het woonhuis. Dat werd door het Indonesische leger gebruikt.

Mijn grootouders hadden in die bezettingsjaren nog twee dochters thuis, de jongere zusjes van mijn moeder, tante Giam en tante Lhin, die nog niet getrouwd waren. Regelmatig kwamen Japanse legerofficieren langs en uit vrees dat bij deze onverwachte bezoeken de twee meisjes in beeld kwamen, moesten zij zich dan snel verstoppen. Het huis van mijn grootouders grensde met een muur met tussendeur aan het huis van de buren die een melkerij hadden. Aan de andere kant van de muur was de stal met de melkkoeien en de twee meisjes moesten op zulke momenten snel door de tussendeur naar de buren en zich daar tussen de koeien verbergen totdat de kust weer veilig was. Hoe lang de oorlog nog zou duren wist niemand, maar mijn grootouders maakten zich grote zorgen over hun twee nog ongetrouwde dochters. De situatie kon alleen worden opgelost als beide meisjes trouwden. Gelukkig bleken er voldoende geschikte huwelijkskandidaten te zijn, maar twee huwelijken binnen hetzelfde jaar kon volgens de tradities niet, daar rustte geen zegen op.  Het oudere zusje tante Giam trouwde op 21 december 1944 en tante Lhin volgde op 10 mei 1945. Mijn toevallige aanwezigheid in Semarang maakte mij geschikt om als strooimeisje, lopend voor het bruidspaar bloemblaadjes te strooien bij het huwelijk van tante Lhin. Voor de familie moet het een feestelijke dag zijn geweest, mijn debuut als strooimeisje was, zoals ik het mij herinner, een verwarrende ervaring. Het zou de eerste en laatste keer zijn.

Met dank aan Mayke Soeselonadi.

Patricia Tjiook-Liem

13 oktober 2021

31 – Kleding van de Chinese gemeenschap in Indië – 10/10

Chinese familie in verschillende kledingstijlen

Chinese familie in verschillende kledingstijlen. Kuala Simpang, 1936. KITLV 90803. Zie Volledige afbeelding onderaan

Rond 1930 droegen mannen in de publieke ruimte kleding in westerse stijl. Ook vele, vooral jonge vrouwen, die een Nederlandse opvoeding hadden genoten, gaven er de voorkeur aan kleding in westerse stijl te dragen.

De kebaya, vooral geliefd onder getrouwde en oudere vrouwen, werd steeds meer huiselijke kleding of de kleding die men droeg bij sociale gelegenheden waar de aanwezigen eenzelfde culturele achtergrond hadden.

Het dragen van een Shanghai-dress daarentegen werd beschouwd als een progressieve, stijlvolle en ‘passende’ kleding. Voor formele en gala gelegenheden werden hiervoor luxe-stoffen gebruikt, in het bijzonder bij sociale gelegenheden waar personen van verschillende culturele achtergronden bijeenkwamen.

Met hun kleding kregen mensen de gelegenheid hun ‘kleur en uiterlijk’ aan te passen. Men kon – afhankelijk van de omstandigheden en van de gelegenheid – uit verschillende stijlen kiezen om daarmee uitdrukking te geven aan identiteit, rang en status.

Het werd gewoon gevonden dat leden van dezelfde familie zich in verschillende stijlen kleedden, waarin sociale normen, politieke kleuren en culturele voorkeuren zich weerspiegelden. Hoe men Chinees kon zijn buiten China kon op een unieke en genuanceerde wijze persoonlijk worden ingevuld.

 Chinese familie in verschillende kledingstijlen. Kuala Simpang, 1936. KITLV 90803.
Chinese familie in verschillende kledingstijlen. Kuala Simpang, 1936. KITLV 90803.

Christopher Ng

Juli 2021

Dit artikel is onderdeel van een 10-delige series. Elke eerste dag van de maand zal er een nieuw artikel worden gepubliceerd, vanaf oktober 2020 tot juli 2021. De bibliografie van de volledige serie kan hier worden gevonden.

Nieuwsbrief nr. 10, juni 2021

Webinar 2021

Verslag Webinar CIHC – 29 mei 2021

Chinezen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Indonesië en Nederland

Door de coronapandemie kon de geplande Publieksdag geen doorgang vinden, waarvoor deze webinar in de plaats is gekomen. Reikhalzend werd door velen uitgekeken naar deze eerste webinar, waar, ondanks het eerste prachtige weer na een lange donkere periode, meer dan 180 mensen vanuit verschillende continenten aan deelnamen.

De middag begon met een diavoorstelling van publieke activiteiten van het CIHC door de jaren heen. Hierna werd de middag geopend door Lina Sidarto, lid van het CIHC-team. Zij gaf een overzicht van de geschiedenis en de activiteiten van de tien jaar dat het CIHC bestaat. Opgericht door Patricia Tjiook-Liem werd het CIHC aanvankelijk een onderdeel van het KITLV, wat een belangrijke bestaansbasis verzekerde met toegang tot archieven en samenwerking met wetenschappers. Heden is het CIHC zelfstandig en zijn wij partner van het KITLV. Activiteiten bestonden in de loop der jaren onder andere uit Publieksdagen elke twee jaar; medewerking aan een 600 pagina’s dik Wacana themanummer over ‘Chinese Indonesians in historical perspective’; uitgave van het boek ‘Een foto vertelt’; een vernieuwde website (www.cihc.nl ) en heden wordt een boek voorbereid over de geschiedenis van de Chinezen uit Indonesië in Nederland.

Als eerste sprak Patricia Tjiook-Liem, voorzitter en oprichter van het CIHC, over ‘Chinezen tijdens de Japanse bezetting’, 1942-1945

De bezettingsperiode werd door de verschillende bevolkingsgroepen in Nederlands-Indië verschillend beleefd. Voor de Chinese bevolkingsgroep betekende deze periode niet alleen angst voor de bezetter en het geweld. Er was internering voor diegenen die geassocieerd werden met de vijand: de Nederlanders en de geallieerden, het leven veranderde door de nieuwe maatregelen van de Japanners. De Chinese pers en Chinese organisaties werden verboden, er werd slechts één krant en één Chinese organisatie getolereerd, onder Japanse controle. Zware heffingen, afpersingen, gedwongen donaties en bijdragen die moesten worden gepresenteerd als giften, confiscatie van bedrijven en het in beslag nemen van bezit op allerlei niveaus en in verschillende sectoren, ten bate van het Japanse leger en de Japanse oorlogsindustrie, trokken een zware wissel. Het antiwesterse beleid betekende dat de Nederlandse taal werd verboden, dat scholen werden gesloten en westerse cultuuruitingen niet werden toegestaan. De Indonesische scholen konden de toestroom van leerlingen niet aan, waarna Chinezen toestemming kregen zelf voor het onderwijs te zorgen. Wel onder voorwaarden en met buigen voor de Japanse vlag en het leren van het Japanse volkslied. Tijdens de Japanse bezetting vond daardoor onder peranakans een heroriëntatie, door sommigen resinificatie genoemd, plaats op de Chinese taal en cultuur.

Velen hadden het zwaar onder de Japanse repressie, het leven moest doorgaan met een afwezige bestaanszekerheid en met vrees voor geweld.

Daarna sprak Henk Schulte Nordholt, em. hoogleraar Indonesische Geschiedenis, KITLV en Universiteit Leiden, over ‘Oude grieven, verse woede’, over het einde van de Japanse bezetting en mogelijke wortels daarin voor de Bersiap-tijd.

De Japanse verovering van Azië vond eigenlijk in slechts drie maanden (dec 41-maart 42) plaats. Daarmee verdween de Europese kolonisatie, ook de Nederlandse in Indonesië en kreeg het Indonesische bestuur meer ruimte. Gedurende de Japanse bezetting was er crisis in de Chinese gemeenschap: er was onder peranakans veel leed door (culturele) onderdrukking en schade door confiscaties, afpersingen en het verlies van oa Europese handelsconnecties.

De Japanners probeerden controle te krijgen over de bevolking, drie achtereenvolgende methoden mislukten. Tenslotte na drie jaar lukte het de Japanners door een totale mobilisatie via inheems bestuur en dorpsleiders. Daarmee drong Japan door tot in alle lagen van de bevolking met een nieuwe geest (“actie” en “vrijheid”) door training, discipline en vechten tegen het westen. Hiermee werden 2,1 miljoen jongeren in jeugdorganisaties en gewapende milities gemobiliseerd. 

Veelal armen op Java, werden door Japanners gedwongen tot keiharde dwangarbeid in mijnen en spoorwegen, waaraan velen bezweken. Ook werden dorpen door de Japanners gedwongen tot 70% van hun oogst af te staan. De schuld hiervan kregen de Chinese rijstpellerijen, omdat de rijst daar moest worden ingeleverd. Mede door enorme corruptie, prijsstijgingen en een misoogst ontstond in 1945 hongersnood waarbij 2,5 miljoen slachtoffers, vnl Javanen vielen.

Na het einde van de Japanse bezetting heerste nog steeds hongersnood, centraal gezag was afwezig (Japan was weg, Engeland en Nederland waren er nog niet) en er was maatschappelijke en bestuurlijke wanorde. Woede en wraak werden in korte tijd gemobiliseerd onder gemotiveerde, getrainde en gewapende jongeren. Deze richtten zich in een golf van geweld op machteloze slachtoffers: Chinezen (die de schuld kregen van de rijstconfiscaties) en (Indo-)Europeanen. 10.000 Chinezen en ongeveer 6000 (geen 30.000) Indo-Europeanen werden vermoord.

Gedurende de Indonesische Revolutie 1945-’49 vond een belangrijke economische wisseling van de wacht plaats: peranakan ondernemers werden vervangen door totok handelaren, die over grotere Zuid-Aziatische netwerken beschikten en grotere risico’s durfden te nemen. Zij zorgden, ondanks de Nederlandse blokkade, voor export (suiker, koffie) en import (wapens, medicijnen). Het waren de Chinezen die daarmee de benarde republiek in leven hielden. In David van Reybrouck’s ‘Revolusi’ spelen Chinezen hierin echter geen enkele rol, een grote omissie.

In de pauze werd de film vertoond ‘Incasseren en trotseren’ van Onnie Tjia, lid CIHC team. De film werd eerder vertoond tijdens de publieksdag in 2018.

Aanleiding voor het maken van de film was de grote hoeveelheid gedigitaliseerd beeldmateriaal die mevrouw Hie Nio Bouter-Thouw van en over haar familie had en beschikbaar stelde aan het CIHC. Samen met haar enthousiaste inbreng werden bijzondere momenten en karakteristieke beelden geselecteerd, wat leidde tot een indrukwekkende filmrapportage.

De beelden worden in tekst door mevrouw Bouter zelf (de ‘ik’ persoon in de film) toegelicht: over haar jeugd in Bandung, haar voorouders en de fotozaak van haar vader. Hartverscheurend zijn de ervaringen van haar vader tijdens de Indische Ambulance Missie naar China van 1937, de Japanse bezetting en de periode daarna.

De film bevat een aantal unieke historische opnamen van de Asia Africa conferentie in Bandung, gemaakt door mevrouw Bouter’s vader die persfotograaf was. Hopelijk wordt deze boeiende film te zijner tijd nogmaals vertoond.

Vervolgd werd met de lezing vanuit Indonesië van Melita Tarisa, onafhankelijk onderzoeker te Jakarta: ‘Activisme van een kleine groep Chinese studenten uit Indonesië in Nederland in 1930-1940’.

Haar lezing is de neerslag van een onderzoeksproject tijdens haar stage aan het KITLV onder leiding van Tom Hoogervorst, waarbij zij zich concentreert op een racistisch gedicht ‘Het Gele Gevaar’ in een Indologenblad in 1935 en de reacties hierop.

Er bestond het beeld dat Chinese studenten een apolitieke neutraal groep waren. Aan de reacties van de sommigen Chinezen blijkt dat ze gepassioneerd en zeer politiek bewust waren. Hoe gingen deze studenten om met racistische opmerkingen en hoe waren ze georganiseerd? 

Eind 19e eeuw verschenen de eerste Chinese studenten in Nederland. In 1911 werd de Chung Hwa Hui (CHH) opgericht, een gezelligheidsvereniging voor Chinese studenten uit Indonesië. In de jaren dertig bevonden zich enkele honderden Chinese studenten in Nederland, zeker in Leiden. Het betrof een heterogene groep met diverse meningen, er gebeurde veel in korte tijd, in Europa, in Indonesië, in China, in de wereldeconomie en in Nederland. In 1932 werd de Sarekat Peranakan Tionghoa Indonesia (SPTI) opgericht, die o.a samenwerking met Indonesische nationalisten en steunacties voor China nastreefde. Dit ging gepaard met heftige discussies in de Chinese studentengroep. De verdeeldheid onder deze groep werd geïllustreerd met de reacties op het racistische, als satire bedoelde, anonieme gedicht ‘Het Gele Gevaar’. De CHH publiceerde een intern protestartikel, maar de SPTI maakte het groter door openbare bijeenkomsten, een rechtszaak en het steun zoeken bij andere organisaties. Dit vond de CHH te ver gaan. De Chinese gemeenschap was verdeeld, door de politieke verschillen was de sfeer ongemakkelijk geworden. De Chinese studenten uit Indonesië in Nederland leefden in een complexe wereld met verschillen in hun betrokkenheid en met verschillen in hun identiteit, die Chinees, Indonesisch en soms Nederlands kon zijn. 

Het beeld van de Chinezen uit Indonesië in Nederland als een apolitieke, neutrale groep kan na deze studie worden bijgesteld. 

Als laatste sprak Yap Kioe Bing, secretaris CIHC en auteur van het boek ‘Mijn vader uit Semarang’, over ‘Chinezen uit Nederlands-Indië in Nederland tijdens de Duitse bezetting 1940-1945’, neutraal of soms betrokken bij het verzet?

Verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog kon verschillende vormen hebben, van gewapende strijd tot het rondbrengen van illegale krantjes. Over verzet door Chinezen in Nederland is nagenoeg niets geschreven. Zo schreef de secretaris der curatoren van de Universiteit Leiden: ”Chinezen hielden zich, overeenkomstig hun aard, in het algemeen neutraal.” De Indonesische studenten hadden een gezamenlijk politiek doel, onafhankelijkheid; ze waren georganiseerd in de antikoloniale, antifascistische Perhimpoenan Indonesia (P.I.). Chinese studenten waren verenigd in de Chung Hwa Hui. Dit was geen politieke vereniging maar er vonden intern wel veel politieke discussies plaats. De linker vleugel zat dicht bij de ideeën van de P.I.

Kioe Bing deed onderzoek in de kenniskring van zijn vader uit Leiden en systematisch in verschillende archieven. Daaruit volgden verhalen over een kleine twintig personen. Het waren persoonlijke verhalen met activiteiten voor illegale kranten, hulp bij het onderduiken, het namaken van Duitse stempels en het uitschrijven van valse medische attesten. 

Vermeldenswaard is een schriftelijke reactie van Go Lam Djoen op een generaliserende anti-Chinese opmerking (“corruptie, het oude Chinese liedje”) in het illegale Parool. Het verzet kende dus ook vooroordelen.

Uit deze twintig individuele verhalen kan als voorlopige conclusie gedestilleerd worden dat er ook Chinezen uit Indonesië betrokken waren bij het verzet. Zij waren niet als groep georganiseerd, maar vaak als individu betrokken geraakt bij het verzet. Chinezen verschilden waarschijnlijk niet veel andere groepen als het over betrokkenheid bij het verzet gaat.

Deze technisch en organisatorisch perfect verlopen eerste webinar is geheel te danken aan het minutieuze voorbereidende en begeleidende werk van Maya Liem, Wiwi Tjiook, Onnie Tjia, Mariska Snijdewind en Ing Tjwan Oei

Alle sprekers en medewerkers worden hartelijk bedankt. 

Dit smaakt naar meer…

Ing Han Go

Collage van deelnemers en bezoekers van de webinar

Juni 2021

30 – Kleding van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië – 9/10

KITLV 50439 _ Amsterdam _ cover

Yogyakarta 1935, KITLV 50439. Zie Volledige afbeelding onderaan

Vroegere kledingversies rond 1910 waren zo gesneden dat zij recht en los om het lichaam vielen. Als gevolg van veranderende verhoudingen en sociale normen werd de jurk rond 1910 van recht naar meer aansluitend. Zij liet meer zien van de contouren van het lichaam of accentueerde die. De cheongsam werd zeer populair onder leden van de beau monde en onder beroemdheden in Shanghai. Eén van hen was Madame Wellington Koo née Oei Hui-Lan, de dochter van Oei Tiong Ham.

Deze jurk, de cheongsam, die in Nederlands-Indië meer bekend staat als Shanghai-dress werd aanvankelijk gedragen bij formele en feestelijke gelegenheden. Er ontstonden verschillende stijlen, al naar gelang de wens van de draagster. Zo waren er variaties in de lengte van de jurk en van de mouwen, in de hoogte van de kraag en in de materialen die gebruikt werden.

Hoewel de jurk deels gemaakt werd volgens de westerse methode van kledingmaken, bleef hij intrinsiek een Chinees kledingstuk. 

 De ‘cheongsam’of ‘qipao’ is een gemoderniseerde versie van de ‘changpao’, een Mantsjoe-jurk uit één stuk. Yogyakarta 1930, KITLV 50439
De ‘cheongsam’of ‘qipao’ is een gemoderniseerde versie van de ‘changpao’, een Mantsjoe-jurk uit één stuk. Yogyakarta 1930, KITLV 50439

Christopher Ng

Juni 2021

Dit artikel is onderdeel van een 10-delige series. Elke eerste dag van de maand zal er een nieuw artikel worden gepubliceerd, vanaf oktober 2020 tot juli 2021. De bibliografie van de volledige serie kan hier worden gevonden.

18 – Nieuws 2021-05-07

background webinar

CHINEZEN TIJDENS DE TWEEDE WERELDOORLOG IN INDONESIË EN IN NEDERLAND

Zaterdag 29 mei 2021 om 13.30 – 16.00 Nederlandse tijd.


Wilt u dit webinar bijwonen, dan is aanmelding vóór 26 mei 2021 verplicht via https://bit.ly/3unHoNA. Na aanmelding zal de Zoom link na 26 mei naar u gemaild worden.

Dit jaar is een bijzonder jaar voor het CIHC. Dan viert de stichting haar 10-jarige bestaan. Vorig jaar kon de CIHC Publieksdag vanwege de Corona-maatregelen geen doorgang vinden. Voor dit jaar hebben we besloten om onze toevlucht te nemen tot een webinar om het 10-jarige jubileum van het CIHC luister bij te zetten. Tijdens dit webinar geven we presentaties met thema’s die passen bij de Mei-herdenkingen.


Het programma ziet er als volgt uit: 

Programma webinar 29 mei 2021

Duur: 13.30-16.00 Nederlandse tijd.

13.30 Opening: Zoom opent met een foto slide-show

14.00-14.10 Opening door moderator Lina Sidarto

14.10-14.30    Patricia Tjiook-Liem: Chinezen tijdens de Japanse bezetting.

14.30-14.45 Henk Schulte Nordholt: ‘Oude grieven, verse woede’, over het einde van de Japanse bezetting en mogelijke wortels daarin voor de Bersiap-tijd.

14.45-15.00 Pauze FILM VERTONING

15.00-15.05  Moderator opent het tweede deel van het webinar.

15.05-15.20 Melita Tarisa: Activisme van kleine groep Chinese studenten uit Indonesië in Nederland in 1930-1940.

15.20-15.45 Yap Kioe Bing: ‘Chinezen uit Indonesië tijdens de 2e wereldoorlog in Nederland: neutraal of in het verzet?’ 

15.45-15.55 Vraag en antwoord

15.55-16.00 Afsluiting


GASTSPREKERS EN HUN PRESENTATIES IN DE VOLGORDE VAN HET PROGRAMMA:

dr. Patricia Tjiook-Liem

‘ Chinezen tijdens de Japanse bezetting’.

In maart 1942 begint met de Japanse bezetting voor de bevolking van Indonesië de periode van transitie van de koloniale periode naar de Republik Indonesia. De republiek wordt direct na de capitulatie van Japan op 17 augustus 1945 uitgeroepen. ‘Chinezen tijdens de Japanse bezetting’ zal één van de hoofdstukken zijn in het boek dat het CIHC voorbereidt over de geschiedenis van de Chinezen uit Indonesië. Patricia zal in haar presentatie een aantal aspecten van deze bezettingstijd belichten. Voor Chinezen was het niet alleen drie- en een half jaar oorlog, met de daarbij horende internering en het geweld, maar ook een periode van resinificatie, het geconfronteerd worden met het ‘Chinees-zijn’.   

Patricia Tjiook-Liem is voorzitter van het CIHC en doet daarnaast onderzoek naar de geschiedenis van de Chinezen uit Indonesië. In haar laatst verschenen publicatie ‘The Chinese from Indonesia in the Netherlands’. Wacana, 2017, komen deze drie elementen bij elkaar.

Prof. dr. Henk Schulte Nordholt

 ‘Oude grieven, verse woede’. Achtergronden bij de aanvallen op Chinezen aan het begin van de Indonesische Revolutie.

De explosieve maanden aan het begin van de revolutie, die ook wel de bersiap zijn genoemd, zal in een iets breder kader worden geplaatst door de laatste jaren van de Japanse bezetting erbij te betrekken. Daar ligt voor een belangrijk deel de verklaring voor het geweld dat eind 1945 tegen Chinezen, (Indo)Europeanen en Javaanse bestuurders losbarstte. 

Henk Schulte Nordholt is Honorary fellow bij het KITLV in Leiden waar hij tot zijn pensionering in 2019 werkte als hoofd Onderzoek. Hij is ook emeritus hoogleraar Indonesische Geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Momenteel werkt hij met Harry Poeze aan een overzicht van de Indonesische Revolutie dat begin 2022 zal verschijnen. 

drs. Melita Terisa

De presentatie gaat over het leven van Chinese studenten uit Indonesië (voormalig Nederlands-Indië) in Nederland tussen 1930 en 1940.  Voornamelijk kennen we ze als een apolitieke groep die liever ‘in het algemeen neutraal’ bleef. Maar stille wateren hebben inderdaad diepe gronden. Een gebeurtenis die in het midden van 1935 plaatsvond vertelt ons het verhaal van actieve, gepassioneerde studenten die diverse politieke keuzes maakten.

Melita is een zelfstandig en onafhankelijk onderzoeker gevestigd in Jakarta, Indonesië. Ze studeerde psychologie aan de University of Indonesia en Education and Child Studies aan de Universiteit Leiden. In 2020 liep ze stage bij het KITLV waarbij ze de ‘shared history’ van Nederland en Indonesië in Leiden kon bestuderen. Ze is momenteel een Collective Actions in Technology (CAiT) fellow en gaat onderzoek doen naar het (online) activisme van ‘ride-hailing drivers’ in Indonesië.

drs. Yap Kioe Bing

Er waren tijdens de Tweede Wereldoorlog tussen de 150 en 200 Chinezen uit Nederlands-Indië in Nederland. Het waren vooral studenten. Er is weinig geschreven over hoe het hun is vergaan in die periode. Over hun eventuele activiteiten in het verzet is vrijwel niets bekend. Er zijn voor dit onderzoek families benaderd met de vraag of er iets bekend is over activiteiten van verzet tegen de Duitse bezetter. De voorlopige conclusie is dat er ook  Chinezen uit Nederlands-Indië actief waren in het verzet.

Yap Kioe Bing is in 1956 in Amsterdam geboren en heeft geneeskunde gestudeerd. Hij is werkzaam als arts Maatschappij + Gezondheid Infectieziektebestrijding. 

Hij heeft een boek geschreven over zijn familiegeschiedenis: ‘Mijn vader uit Semarang’ en is zo betrokken geraakt bij de Stichting CIHC. Hij is secretaris van de Stichting.

MODERATOR:

Lina Sidarto groeide op in Jakarta, en heeft economie en taalkunde gestudeerd in de Verenigde Staten. Daarna heeft ze als journalist gewerkt in Indonesië en Nederland. In de laatste tien jaar is ze voornamelijk werkzaam als freelance-journalist voor de Indonesische bladen Tempo en The Jakarta Post.

flyer CIHC 2021
Flyer Webinar CIHC 2021

17 – Nieuws 2021-05-05

Recent verschenen in de Journal of the Humanities and Social Sciences of Southeast Asia 177(1):

‘The Screaming Injustice of Colonial Relationships’

Tracing Chinese Anti-racist Activism in the Netherlands

Tom Hoogervorst (KITLV) and Melita Tarisa

“In 1935 veroorzaakte een smakeloos gedicht grote verontwaardiging onder de Chinese-Indische studenten in Nederland. Dit gedicht, Het gele gevaar, begon als een onderonsje van de Leidse indologen, maar veroorzaakte al snel de woede van zowel gematigde als radicale studenten. Hun antikoloniale activisme laaide maandenlang op, trok talloze bondgenoten aan, en waaide uiteindelijk over naar Nederlands-Indië. Nadat de indologen hun excuses hadden aangeboden verminderde het aantal activisten dat bereid was zich in te zetten voor structurele veranderingen. Deze microgeschiedenis legt een bredere dynamiek van antiracisme bloot. We constateren dat etnische Chinezen, die vaak worden afgeschilderd als een onopvallende modelminderheid, een langere traditie van antiracisme activisme hebben dan hen dikwijls wordt toegedicht. Dit is vooral relevant in het heden, waarin coronaracisme, anti-zwart racisme en discussies over het koloniale verleden nieuwe bewegingen inspireren, waarbij opnieuw etnische Chinezen actief zijn en nieuwe antiracistische solidariteit creëren.”

Lees hier het volledige artikel, alleen beschikbaar in het Engels.

Bron:
Hoogervorst, T., & Tarisa, M. (2021). ‘The Screaming Injustice of Colonial Relationships’, Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde / Journal of the Humanities and Social Sciences of Southeast Asia177(1), 27-61. doi: https://doi.org/10.1163/22134379-bja10020

29 – Kleding van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië – 8/10

Couple in Western-style suit and "kebaya encim” Jogjakarta, 1930 KITLV 50437

Echtpaar in een kostuum in westerse stijl en in ‘kebaya encim’. Jogjakarta, 1930. KITLV 50437. Zie Volledige afbeelding onderaan

De witte kanten kebaya was midden 19de eeuw een Europese uitvinding. Het was een verkorte versie van de ‘baju panjang’ en werd gedragen met een ‘batik Belanda’ sarong. Het werd exclusief gedragen door Europeanen en Euraziaten en werd geassocieerd met prestige en een bevoorrechte positie.

Nadat niet-Europeanen vanaf 1910 niet langer beperkt werden in hun kledingkeuze begonnen Chinese vrouwen hun versie van ‘kebaya Belanda’  te dragen. Deze versie, bekend als de ‘kebaya encim’, had aan de voorkant lange schuine zomen met punten. De kleur bleef wit, ook al was deze kleur voor Chinezen de kleur van diepe rouw.

Meer bewerkte kebaya’s werden afgezet met Europees kant en gedragen met fijne, kleurige batik sarongs die in Peranakan-ateliers waren vervaardigd. Thuis werden eenvoudige versies gedragen. Vanaf 1930 kwamen er kebaya-versies van gekleurde voile versierd met machine-borduurwerk.

Vanaf de twintiger jaren werden kebaya’s en sarongs onder Euraziaten en Europeanen minder populair. Men beschouwde ze als te ‘lokaal’. Spoedig werd deze kleding niet meer gebruikt, het verloor zijn plaats in de koloniale publieke ruimte.

Echtpaar in een kostuum in westerse stijl en in ‘kebaya encim’. Jogjakarta, 1930. KITLV 50437.

Christopher Ng

Mei 2021

Dit artikel is onderdeel van een 10-delige series. Elke eerste dag van de maand zal er een nieuw artikel worden gepubliceerd, vanaf oktober 2020 tot juli 2021. De bibliografie van de volledige serie kan hier worden gevonden.

28 – Kleding van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië – 7/10

Women and children in “ao-qun” Malang, 1930 KITLV 183820

Een vrouw met kinderen in ‘ao-qun’, Malang 1930. KITLV 183820. Zie onderaan voor volledige afbeelding.

Met einde van de Qing-dynastie begon op 1 januari 1912 de Republiek van China. De Chinese regering verbood alle hiërarchische gewoonten en verplichte regels op het gebied van kleding, waaronder ook het dragen van een vlecht.

De bevolking van China mocht zich – ongeacht hun sociale status – kleden zoals zij het wilde. Vooral in grote steden begonnen mannen zich westers te kleden, zij droegen pakken in westerse stijl en stropdassen.

De Chinese overheid was – wat de kleding voor vrouwen betreft, voorstander van een moderne interpretatie van de traditionele blouse (ao) met rok (qun), te beschouwen als een ‘national dress’. Er werden eenvoudige stoffen gebruikt, zonder borduursel. Het leek op een gemoderniseerde versie van de ‘baju peki hoa kun’.

Na verloop van tijd werden de blouses meer aansluitend en werden de rokken korter, waarmee de moderne modetrends werden gevolgd. Westerse technieken op het gebied van het maken van kleding en versieringen zoals linten, strikken en broderie anglaise werden vaak in deze kleding verwerkt. Daarmee kon de draagster een gewenste progressieve identiteit uitdrukken, echter wel met een duidelijk Chinees karakter. 

Een vrouw met kinderen in ‘ao-qun’, Malang 1930. KITLV 183820.

Christopher Ng

April 2021

Dit artikel is onderdeel van een 10-delige series. Elke eerste dag van de maand zal er een nieuw artikel worden gepubliceerd, vanaf oktober 2020 tot juli 2021. De bibliografie van de volledige serie kan hier worden gevonden.

27 – Kleding van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië – 6/10

a couple in Western-style clothing. Surabaya, circa 1910

Een echtpaar in kleding in westerse stijl. Surabaya, ca. 1910. KITLV 124837 Zie volledige afbeelding onderaan

Aan het einde van de 19de eeuw werden de eerste Chinezen gelijkgesteld. Dit betekende dat zij dezelfde rechten kregen als Europeanen en daarmee het voorrecht kregen om zich als Europeanen te kleden.

Mannen konden ervoor kiezen zich te kleden in een ‘jas tutup’, een jasje dat er enigszins als een uniform uitzag. Het jasje had een staande boord en het geheel gaf de drager een uitstraling van mannelijk zelfvertrouwen en koloniale superioriteit. Het was het standaardkostuum voor Nederlandse ambtsdragers, van zakenlieden, leraren, soldaten en politieagenten. Bij formele gelegenheden werd een Europese smoking met vest en strikdas gedragen.

Sommige vrouwen gingen ertoe over bij formele gelegenheden kleding van Europese snit dragen. Meestal was dat een tweedelig ensemble. De gewoonte bij Han-Chinezen om tweedelige kleding te dragen was iets van het Qing-bestuur, het dragen van eendelige kleding was een voorrecht dat voorbehouden was aan Mantsjoe’s. 

In 1910 werden ‘Vreemde Oosterlingen’ in Nederlands-Indië beschouwd als Nederlandse onderdanen. De Chinezen werden niet langer beperkt in de keuze van hun kleding. Velen gingen, ook door de toenemende verwestersing, kleding dragen in westerse stijl en traditionele kleding werd ‘gemoderniseerd’.

Een echtpaar in kleding in westerse stijl. Surabaya, ca. 1910. KITLV 124837.

Christopher Ng

Maart 2021

Dit artikel is onderdeel van een 10-delige series. Elke eerste dag van de maand zal er een nieuw artikel worden gepubliceerd, vanaf oktober 2020 tot juli 2021. De bibliografie van de volledige serie kan hier worden gevonden.

2 – Programmaboekje

Voorzijde Programmaboekje

Uitsnede van de voorzijde van het programmaboekje

Datum schenking : 15 april 2017

Schenker : Lie Kong Ing

Schenking

Programmaboekje over verschillende activiteiten ter ere van het 50-jarig lustrum van de Chung Hwa Hui Tsa Chih (中華會雜誌) in 1961. Het zijn de aankondigingen van sportwedstrijden in het Spinozalyceum in Amsterdam op 14 oktober, een auto-puzzelrit op 15 oktober, een receptie in de dierentuin van Den Haag op 20 oktober, gevolgd door een lezing van mevrouw Thung-MacDonald over de reis van Prof. Thung door China en een Lustrumbal in het Casino in Noordwijk aan Zee op 21 oktober.

Toelichting

De vereniging Chung Hwa Hui was in 1911 opgericht en bestond in 1961 50 jaar. Het Bestuur bestaat in 1961 uit Lie Kong Ing (voorzitter), Tan Hauw Gie (secretaris), Tjiong Hoey Lan (thesaurier), Teng Khoen Ho, S.S. Thee en Go Ing Hien. De lustrumcommissie bestaat uit Tjoa Hin Soey, Tan Hian Lee, Liem Sioe Liep, Kan Sioe Ling en Tan Bing Swan.

In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog waren de meeste Chinezen uit Nederlands-Indië die in Nederland waren studenten en zij waren vrijwel allemaal lid van de Chung Hwa Hui. Na de oorlog werd het ledental gestaag kleiner. Rond 1955 stopte de activiteiten van de vereniging. In 1961 was er weer een korte opleving van de activiteiten. Er werd getracht de onderlinge cohesie van het steeds groter aantal Chinezen dat uit Indonesië naar Nederland kwam te versterken. Deze onderlinge cohesie werd echter op andere manier gevonden en niet zo zeer via de Chung Hwa Hui. In 1962 stopten alle activiteiten definitief. 

In 2011 werd de Chinese Studentenvereniging Chung Hwa Hui opgeheven. Tot dat jaar was Lie Kong Ing bewindvoerder.

Belang van de schenking

De geschiedenis van de Chung Hwa Hui in Nederland is van belang omdat vele (voor)ouders van de huidige generaties in Nederland lid zijn geweest van de Chung Hwa Hui. 

Verdere informatie

Thung Tjeng Hiang (1897-1960) was werkzaam op het gebied van planten­ziekten en -ziekteverwekkers, met name virussen. Hij was de eerste hoogleraar in de virologie ter wereld en in 1949 in Wageningen benoemd. 

Een geschilderd portret van Thung Tjeng Hiang.

Bronnen 

Kees van Galen De geschiedenis van de Chung Hwa Hui (1989)

Lie Kong Ing, gesprek met Patricia Tjiook-Liem 11 oktober 2020

26 – Kleding van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië – 5/10

‘baju peki hoa kun’ en ‘baju tui khim’ KITLV-29188

Vrouwen in een ‘baju peki hoa kun’ en een man in ‘baju tui khim’. Java ca. 1900. KITLV 29188. Zie onderaan voor volledige afbeelding

Het laatste decennium van de 19de eeuw in Nederlands-Indië was een periode van groeiend Chinees bewustzijn.

Deze verandering van het Chinese zelfbewustzijn en de verbondenheid met het voorouderlijke thuisland China was mogelijk het gevolg van de introductie van de Nederlandse Nationaliteitswet in 1892, toen niet-Europeanen in Nederlands-Indië niet langer beschouwd werden de Nederlandse nationaliteit te bezitten. 

Vrouwen begonnen een tweedelig kostuum in Chinese stijl te dragen, de ‘baju peki hoa kun’.  Het aangesloten bovenstuk (baju peki) en de geplooide rok (hoa kun) hadden versierde randen.

Was deze kleding voor feestelijke gelegenheden bestemd dan waren zij gemaakt van zijde. Voor de eenvoudige dagelijkse kleding werd katoen gebruikt, soms voorzien van eenvoudig borduursel en kant.

Vrouwen in een ‘baju peki hoa kun’ en een man in ‘baju tui khim’, Java ca. 1900. KITLV 29188.

Christopher Ng

Februari 2021

Dit artikel is onderdeel van een 10-delige series. Elke eerste dag van de maand zal er een nieuw artikel worden gepubliceerd, vanaf oktober 2020 tot juli 2021. De bibliografie van de volledige serie kan hier worden gevonden.

16 – Nieuws 2020-01-15

Mongesch

(Foto v.l.n.r. : Swanny Thee, Patricia Tjiook-Liem, Kurt de Belder, bibliothecaris en Doris Jedamski, conservator Universiteitsbibliotheek Leiden.)

Ontsluiting van het Archief Mondelinge Geschiedenis CIHC door de Universitaire Bibliotheken Leiden.

Onlangs bereikte ons het bericht dat het ‘Archief Mondelinge Geschiedenis CIHC‘ door de Universitaire Bibliotheken Leiden is ontsloten en digitaal toegankelijk gemaakt. 

Het archief bevat interviews met 39 personen, die tussen 2013 en 2017 door een team van interviewers van het CIHC zijn afgenomen in het kader van het project ‘Mongesch’

In oktober 2019 heeft het CIHC de collectie formeel overgedragen aan de Universitaire Bibliotheken Leiden

Het project Mongesch heeft als doel het vastleggen van levensverhalen van de Chinezen uit Indonesië in Nederland. Hiermee kan de kennis over de geschiedenis van deze bevolkingsgroep verder worden verbreed. CIHC is zeer verheugd over de ontsluiting van het Archief Mondelinge Geschiedenis. Al tijdens de uitvoering van het project hebben verschillende wetenschappelijke onderzoekers hun belangstelling voor het werk geuit. Nu is het dan zover dat ze de collectie ook kunnen raadplegen via de website van de bibliotheek.  

Wegens privacyregels is de collectie alleen op aanvraag toegankelijk voor onderzoekers.

Lees verder onder de rubriek: archief / mongesch

25 – Kleding van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië – 4/10

25 - Tradities en Cultuur Java 1887

Portret van Oei Tiong Ham (1866-1924), Java 1887.  Zie volledige afbeelding onderaan

Tot het begin van de 20ste eeuw droegen Chinese mannen het haar in een Mantsjoe-staart of vlecht. Bij deze haarstijl werden de voorkant en de zijkanten van het hoofd geschoren,  het overige haar werd samengevat en in een lange vlecht gevlochten die langs de rug viel.

Ook Chinese mannen overzee waren gedwongen deze door het Qing-bestuur voorgeschreven haarstijl te volgen. Chinese mannen in Nederlands-Indië droegen een vlecht zoals te zien is op deze foto van de jonge Oei Tiong Ham. Wij zien hem hier als een zelfbewuste jongeman in een jasje in gemoderniseerde Chinese stijl met in westerse stijl gesneden broek, en met een wandelstok en hoed.

Met de ineenstorting van de Qing-dynastie kwam een einde aan het dragen van een vlecht. De stichting van de Republiek van China in 1912 luidde een periode in van een moderne Chinese identiteit.

Portret van Oei Tiong Ham (1866-1924), Java 1887. ‘Amek Gambar’ tentoonstelling 5 mei 2018 – 3 februari 2019, Peranakan Museum Singapore.
Portret van Oei Tiong Ham (1866-1924), Java 1887. ‘Amek Gambar’ tentoonstelling 5 mei 2018 – 3 februari 2019, Peranakan Museum Singapore.

Christopher Ng

Januari 2021

Dit artikel is onderdeel van een 10-delige series. Elke eerste dag van de maand zal er een nieuw artikel worden gepubliceerd, vanaf oktober 2020 tot juli 2021. De bibliografie van de volledige serie kan hier worden gevonden.

Nieuwsbrief nr. 9, december 2020

Vernieuwde website

Beste vrienden en donateurs van het CIHC,

Na een lange stilte zult u zich misschien afvragen of het CIHC nog wel bestaat. Ja, daarom sturen wij u dit bericht om u te laten weten dat we er nog steeds zijn en op de achtergrond activiteiten aan het ontwikkelen zijn. Corona heeft roet in het eten gegooid van onze voornemens. We hebben u niet persoonlijk kunnen ontmoeten. Zo is helaas de publieksdag die afgelopen juni gepland stond niet door kunnen gaan. Maar we zijn wel bezig geweest. Enige voorbeelden daarvan vermelden we hieronder.

Onze website (www.cihc.nl) is vernieuwd. Hij is nu overzichtelijker, toegankelijker en fraaier. Regelmatig worden er nieuwe afleveringen van Foto met Verhaal geplaatst. Ook vragen wij u om niet te schromen om zelf een interessant verhaal bij een foto te schrijven. U kunt het insturen naar info@cihc.nl

In de rubriek Tradities en Cultuur wordt maandelijks een aflevering van de tiendelige serie over de ontwikkeling van Kleding van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië geplaatst. Auteur Christopher Ng, lid van het CIHC-team, toont met deze boeiende reeks zijn grote kennis van peranakan kleding en textiel.

Onder het kopje Archief – Verbinding van Culturen, bovenaan in de website balk vindt u interessante voorbeelden van Indonesische peranakan kunst en -gebruiksvoorwerpen. De vermenging van de Indonesische en de Chinese cultuur toont zich in vele fraaie objecten en is een materiële uiting van het cultureel erfgoed van de Chinezen in Indonesië. Hoewel de rubriek al langer bestaat, zou deze aan uw aandacht ontsnapt kunnen zijn.

Nieuw is wel de rubriek Schenkingen. Daarin wordt verteld over binnengekomen schenkingen. Het CIHC bemiddelt om archieven, verzamelingen en objecten, die van belang zijn als cultureel erfgoed van de Chinezen uit Indonesië in Nederland, een veilig onderkomen te bieden, dat toegankelijk is voor komende generaties.

Het boek Een Foto Vertelt was een groot succes, maar daardoor helaas uitverkocht. Dankzij meerdere donaties was het mogelijk het boek tegen een redelijke prijs te verkopen. Het CIHC zoekt nog naar mogelijkheden voor een herdruk. 

Het project Mondelinge Geschiedenis (afgekort als Mongesch) is afgerond en overgedragen aan de Universitaire Bibliotheken Leiden, alwaar ook de wereldberoemde Asian Library is gevestigd. Het omvat de mondelinge levensgeschiedenis van 39 Indonesische Chinezen in Nederland. De interviewers van het CIHC hebben een gigantisch werk geleverd en zij hebben een belangrijk, uitstervend stuk Chinees-Indische geschiedenis veiliggesteld voor toekomstige generaties. De geluidsopnames zijn met schriftelijke motivatie toegankelijk bij de UB-Leiden.

Aan een boek over de niet eerder uitgebreid beschreven geschiedenis van de Chinezen in Indonesië naar Nederland, wordt op het moment door leden van het CIHC team gewerkt. We verwachten de publicatie hiervan eind 2021 of 2022.

Over 2021 valt op dit moment niets met zekerheid te zeggen, dus ook niet of een lijfelijke publieksdag dan mogelijk is. We berichten u zodra we meer weten.

Lezing. Op 13 maart 2021 om 14.00 uur zal de zogenaamde Indië lezing voor de tiende keer georganiseerd worden door het Comité 4/5 mei Amsterdam Zuid-Oost. Het onderwerp zal de Chinezen in Indonesië betreffen. Onze voorzitter Patricia Tjiook-Liem zal een lezing geven over de geschiedenis van de Chinezen uit Indonesië in Nederland. Aan een aanvullend programma wordt nog gewerkt. Dit symposium vindt plaats in de Openbare Bibliotheek Amsterdam, Oosterdokskade 143. Tevoren aanmelden is noodzakelijk, de belangstelling is gewoonlijk groot. Wanneer de regels tegen die tijd fysieke aanwezigheid niet toestaan, zal de middag als webinar worden uitgezonden. Ook daarvoor is aanmelding vereist.

Om de bereikbaarheid en de zichtbaarheid van het CIHC te verbeteren hebben wij een professionele webmaster aangesteld, die de website heeft vernieuwd. U begrijpt dat dit kosten met zich meebrengt. Hoewel alle andere activiteiten om het cultureel erfgoed van de Chinezen uit Indonesië in Nederland te behouden, vrijwillig en om-niet worden verricht, zijn ook hier vaak kosten aan verbonden. Uw donatie wordt daarom zeer op prijs gesteld, want wij zijn ervan afhankelijk. 

Al onze donateurs, de vaste- en de gelegenheids-, bedanken wij zeer hartelijk voor hun bijdrage.

Rest ons u prettige feestdagen te wensen en een goed en gezond 2021.

Bankrekening nummer CIHC: NL12INGB 0006 2794 87

24 – Kleding van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië – 3/10

Timor 1870. KITLV 30524

Timor 1870. KITLV 30524. Zie volledige afbeelding onderaan

In de 19de eeuw bleef de ceremoniële kleding voor huwelijken en traditionele gelegenheden karakteristiek Chinees. Dergelijke kleding werd ook door Chinese mannen in officiële functies gedragen bij formele gelegenheden.

Mannen droegen dan de officiële Mantsjoe-kleding van de Qing-regering: een lange robe met lange mouwen. In die kleding waren verschillende symbolen verwerkt die verwezen naar de rang en de positie van de drager. Het meest in het oog springende symbool was het ‘Mandarijnen vierkant’ op de borst.

Een andere manier om de sociale positie aan te geven was het gebruik van kleurige hoedenknopen en veren. Pauwenveren werden bijvoorbeeld gewoonlijk gedragen door hoge ambtenaren.

Vrouwen droegen een jasje met wijde mouwen en een rok met plooien. Het jasje had aan de bovenkant vaak een ‘wolkenkraag’, een kleine cape met overlappende delen die over de schouders werd gedragen. Deze vrolijk gekleurde zijden gewaden hadden borduursels van uitgewerkte motieven, met zijden en gouden draden aangebracht.

Traditionele kleding van een vrouw, met een eenvoudige ‘wolkenkraag’ en die van een man zonder een ‘Mandarijnen vierkant’.  Timor 1870. KITLV 30524.
Traditionele kleding van een vrouw, met een eenvoudige ‘wolkenkraag’ en die van een man zonder een ‘Mandarijnen vierkant’.  Timor 1870. KITLV 30524.

Christopher Ng

December 2020

Dit artikel is onderdeel van een 10-delige series. Elke eerste dag van de maand zal er een nieuw artikel worden gepubliceerd, vanaf oktober 2020 tot juli 2021. De bibliografie van de volledige serie kan hier worden gevonden.

61 – Restaurant Hok-Kie en de studentenpot

Voorkant Restaurant Hok-kie

Het onverwachte terug vinden in het stadsarchief van de Gemeente Amsterdam van deze foto van ons restaurant ‘Hok-Kie’ aan het Singel 498, bracht mij in één klap terug in de vijftiger-zestiger jaren van de 20ste eeuw. De foto toont ‘Chinees Indisch Café Restaurant Hok-Kie’ ingeklemd tussen twee grachtenpanden in Amsterdam.

Chinees Indisch Café Restaurant Hok-Kie’ ingeklemd tussen twee grachtenpanden in Amsterdam.

 In mijn studentenjaren speelde het restaurant een grote rol in het leven van onze familie. In 1956 besloten mijn ouders als laatste van ons gezin met hun twee jongste kinderen naar Nederland te vertrekken om zich hier permanent te vestigen. Met zes studerende kinderen en één nog op school was het voor mijn ouders een hele opgave om in het levensonderhoud van de familie en in de studiekosten te voorzien. Het betalingsverkeer tussen Nederland en Indonesië was vanwege de politieke situatie gestremd en het was niet mogelijk voldoende middelen naar Nederland over te maken. Mijn vader stelde voor een eethuisje te beginnen om het gezin financieel op de been te houden. De hele familie zou wel moeten meewerken om de zaak te runnen.

In Amsterdam stond het pand Singel 498 bij de bloemenmarkt te huur. De locatie bleek uitstekend geschikt te zijn voor een Horeca-bedrijf, maar wij hadden een probleem. Er was niet voldoende werkkapitaal. Gelukkig konden wij een lening krijgen van de ‘Oranjeboom’ bierbrouwerij en daarmee werd een eethuisje opgezet. Het kreeg de naam ‘Hok-Kie’ hetgeen ‘geluk’ betekent. 

In de jaren vijftig waren Chinese restaurants voornamelijk in handen van Chinezen uit het vasteland van China. Ze  hadden min of meer hetzelfde menu, aangepast aan de Hollandse smaak. Het ‘ Hok-Kie’ menu daarentegen bestond  uit gerechten uit de Chinees-Indonesische keuken. Mijn moeder kon heel goed koken, zij was de spil en werd daarbij geholpen door vriendinnen en bekenden à f.2,50 per uur. De hele familie werkte mee, mijn zusje Evie zorgde bijvoorbeeld voor de voorraad en de dagelijkse boodschappen en sprong zo nodig bij in de keuken.  Wij hadden geen professionele kelners in dienst, wij werkten zelf in de bediening. Voor ons studenten kon de combinatie van studeren en werken in het restaurant zwaar zijn. Wij wisselden het studeren in de nabijgelegen UB af met ‘kelneren’ of gingen na een dag colleges en ‘lab’ direct in Hok-Kie aan de slag.  Vaak werkten ook studiegenoten in het restaurant om als kelner een zakcentje bij te verdienen. Menig student uit die tijd zal zich stellig hun tijd als kelner bij Hok-Kie herinneren.

In het begin werd Hok-Kie voornamelijk bezocht door personen uit de Chinese gemeenschap uit Indonesië die ‘nostalgisch’ kwamen eten. Na enige tijd kwamen er meer Nederlandse klanten. Ook Chinese studenten uit Indonesië kwamen weleens eten. Voor velen van hen viel echter het normale menu als dagelijkse maaltijd vanwege de normale prijzen buiten hun budget. Om hieraan tegemoet te komen brachten wij tussen zes en acht uur ’s avonds een studentenmaaltijd, de ‘studentenpot’ tegen een studentenprijs (f. 1,25). De studentenpot van Hok-Kie –  één portie vlees met naar believen rijst en groenten met de smaak van thuis  – werd al spoedig een begrip.  De aparte ruimte, speciaal bestemd voor de ‘studentenpot’ werd daardoor ook een sociale ontmoetingsplaats voor studenten.

Hok-kie binnnen
Van links naar rechts: 1ste rij zittend: Joop Go (mijn Broer) ; Yoe Lan Ying; Evie Go (mijn zus); Liep Oei
1ste rij staand: Lie Kiem Pwee ; Louis Go (mijn broer); Tan Hian Lee; Oei Bing Hiang; Patricia Liem; Mei Fie
Laatste rij staand: ? ; Oei Hway Liem; Tjiong Tjoei Siang ; Bob Oei

Omstreeks 1962 waren de meesten van ons  – met de hulp van Hok-Kie  – afgestudeerd of zelfstandig. Wij konden in ons eigen levensonderhoud voorzien. Mijn vader heeft dat niet mee kunnen maken, hij overleed in 1958. Mijn broer Frans heeft nog enkele jaren samen met mijn moeder Hok-Kie voortgezet tot het te zwaar werd. In 1965 is Hok-Kie opgeheven. Frans ging verder met de productie van Indonesische snacks, waar hij al een tijdje mee bezig was en waarbij mijn moeder hem hielp met de receptuur. Zij legden de basis voor het huidige bedrijf GO-TAN

Hans Go.

23 – Kleding van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië – 2/10

‘Baju tui khim’ met een kraag in westerse stijl en een ‘celana komprang’. Java 1870. KITLV 100948

Java, 1870 KITLV 100948 Zie volledige afbeelding onderaan

Rond het midden van de 19de eeuw droegen Chinese mannen kraagloze hemden in Chinese stijl (baju tui khim) met wijde broeken (celana komprang). Het jasje dat soms daarover ‘open’ werd gedragen had stoffen Chinese knopen (frog buttons[1]). Zij die zich meer konden veroorloven vervingen deze stoffen knopen vaak door knopen van edelmetalen.

Chinezen die door het koloniale bestuur officieel waren benoemd droegen jasjes met kragen. Europese elementen zoals ronde boordjes of ingesneden revers werden vaak gebruikt om te verwijzen naar rang en status.

Ook het dragen van Europese accessoires zoals zakhorloges, kreeg naarmate de 19de eeuw ten einde liep steeds meer ingang. De drang om meer Europese elementen toe te voegen aan de kleding weerspiegelde ook andere motieven: men wilde graag deel uitmaken van een wereld van moderne ideeën, ook kon het gewoon een uiting zijn van de persoonlijke smaak van de drager.


‘Baju tui khim’ met een kraag in westerse stijl en een ‘celana komprang’. Java 1870. KITLV 100948

November 2020

Christopher Ng

Dit artikel is onderdeel van een 10-delige series. Elke eerste dag van de maand zal er een nieuw artikel worden gepubliceerd, vanaf oktober 2020 tot juli 2021. De bibliografie van de volledige serie kan hier worden gevonden.

[1] Frog buttons: Chinese knopen van stof, die getweeën  met lussen een sluiting vormen

22 – Kleding van de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië – 1/10

22 Tradities en Cultuut Baju panjang’ met gingham (gestreepte of geruite katoen) sarong (links) en ‘baju kurong’ met batik sarong (rechts). Batavia, 1867. KITLV 87452

Batavia, 1867. KITLV 87452 Zie volledige afbeelding onderaan

In 1854 was de bevolking van Nederlands-Indië wettelijk verdeeld in Europeanen en niet-Europeanen (Inlanders). Wettelijke regelingen betreffende hun kleding werden ingesteld. Westerse kleding mocht – tot begin 20ste eeuw – alleen door Europeanen worden gedragen. De lokale bevolking moest zich kleden volgens hun etnische afkomst en cultuur.

In de 19de eeuw droegen Chinese vrouwen de ‘baju kurung’, een knielange tuniek met lange mouwen en een ronde halslijn. Daaronder werd een katoenen batik sarong gedragen of een gingham (gestreepte of geruite katoen) sarong. Een andere versie was de ‘baju panjang’. Deze had een V-hals en een opening aan de voorzijde die gesloten werd met blouse-spelden in plaats van met knopen.

Beide kledingvormen waren ‘geleend’ van de lokale cultuur. De kleding werd op de traditionele manier gemaakt; zowel de voor- als de achterzijde was gemaakt van één lap stof. Sommige onderzoekers menen dat zowel de ‘baju kurung’ als de ‘baju panjang’ afgeleid waren van de Indiase ‘kurta’ en de Arabische ‘habaya’.

‘Baju panjang’ met gingham (gestreepte of geruite katoen) sarong (links) en ‘baju kurong’ met batik sarong (rechts).
Batavia, 1867. KITLV 87452

Christopher Ng

Oktober 2020

Dit artikel is onderdeel van een 10-delige series. Elke eerste dag van de maand zal er een nieuw artikel worden gepubliceerd, vanaf oktober 2020 tot juli 2021. De bibliografie van de volledige serie kan hier worden gevonden.