
‘Als je een kever vangt en hem daarna in een glazen potje doet, dan moet je gaten in het dekseltje boren, zodat de kever kan blijven leven’.
Het was 1943, toen Ngkong, zoals ik mijn grootvader traditiegetrouw noemde, mij dat heeft geleerd. Ik was toen twee en een half jaar oud. Ngkong Cirebon – de plaats waar hij woonde ter aanduiding van mijn andere Ngkong – was een ‘echte’ Chinees, al kan ik me niet herinneren dat wij Chinees met hem spraken. We spraken thuis Maleis. Maar hij was de enige in de familie die in China was geboren.
Als een echte Chinees was Ngkong realistisch over leven en dood. Terwijl hij mij over het leven leerde, was hij al bezig zich voor te bereiden op het einde van het zijne. Vaak nam hij mij mee naar zijn toekomstige graf toen dat werd klaargemaakt. Terwijl Ngkong toezicht hield op de werkers, praatten wij over van alles. Ik weet niet meer waar we over gesproken hadden, alleen dat advies over de kever heb ik onthouden. Toentertijd waren deze bezoekjes voor mij een soort speciale picknick, van Ngkong en mij. Ik was veel te jong om te beseffen wat het uiteindelijke doel was van deze bezoeken aan de begraafplaats.
Ook thuis trof Ngkong voorbereidingen voor zijn dood. In afwachting daarvan stond er op de gang naar zijn slaapkamer een doodskist klaar. Ik zal wel geweten hebben waar het voor bestemd was, maar ik stond er niet bij stil en wist ook niet dat het zo spoedig al van nut zou komen.
Toen hij een paar maanden later overleed - en ik naar hem vroeg - was ik niet verbaasd te horen dat hij in zijn kist lag. Maar het was wel verontrustend dat de kist geen luchtgaten had. Men probeerde mij uit te leggen waarom. Ik voelde me in ieder geval genoeg gerustgesteld om gewillig mee te lopen naast de ossenkar waarop Ngkong’s kist lag, om hem gezelschap te houden op zijn weg naar zijn nu voltooide graf. Ik wilde met alle geweld dicht bij hem blijven en niet met de andere rouwenden in een van de dogkars rijden die de ossenkar in een stoet volgden. Uiteindelijk mocht ik op de ossenkar naast Ngkong’s kist zitten.
Bijna vijftig jaar later ben ik terug geweest naar het graf. Ik was dankbaar dat het er nog was. Zovele andere begraafplaatsen hadden plaats moeten maken voor stadsuitbreidingen. De kleine heuvel van het graf was onverzorgd, overwoekerd met gras en andere plantjes. De grafsteen stond er nog met daarop Ngkong’s naam Lim Siong Hie. Zijn Chinese oorsprong stond daar nog goed leesbaar in Chinese karakters gebeiteld. Voor hem waren de rituelen rond de dood belangrijk maar zelf heb ik er geen behoefte aan om mij op zijn manier daarop voor te bereiden. Wel zou ik willen dat ik Ngkong kon vragen hoe hij nu zou denken over leven en dood.
Terry/Trees Pek Loan Diefenbach-Lim, Californië.

Ngkong zoals hij altijd gekleed was, Cirebon, 1939.

In een park, Cirebon,1939. Staand rechts Ngkong, zittend van links naar rechts: mijn grootmoeder Mah Cirebon (Khoe Yang Swat), een onbekende nicht, mijn tante, jongere zus van vader (‘sakoh’ Lim Jan Siok Nio).

Grafsteen bij Ngkong;s graf, Cirebon, 1990. Bovenaan staat zijn geboorteplaats Lian Feng in de provincie Fujian. In het midden staan de namen van Ngkong zelf Lim Siong Hie en van grootmoeder Mah Cirebon Khoe Yang Swat.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.