
Echt nakal, zo werd mijn oom Go Khoen Lian (1932) genoemd, het jongere broertje van mijn moeder Pik Lian. Zijn ondeugendheid en ongezeglijkheid zou de reden zijn dat hij op aanraden van pater jezuïet Simon Beekman op zesjarige leeftijd naar een rooms-katholiek internaat in Semarang wordt gestuurd. Tot groot verdriet van mijn moeder, die hem naar eigen zeggen verschrikkelijk mist.
Om hem te redden kan ze niets anders doen dan bidden tot God en Hem smeken de helft van haar goede daden in te ruilen voor de terugkeer van haar broertje.
Na de lagere school en een schoolvrij leven tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt Go Khoen Lian, ditmaal op advies van bisschop Soegijapranata (later aartsbisschop) naar het rooms-katholieke weeshuis Kebon Dalem (“binnenweg naar de tuin”) gestuurd, officieel genaamd Sint Franciscus Xaverius in Semarang. Daar is hij ingeschreven op 23 december 1945. Ouders, om dit onheil te voorkomen ontbreken: moeder Tan Hian Nio heeft al in 1933 het familiehuis verlaten, weggepest door haar schoonfamilie en vader Go Siang Tiong is eind 1942 gestorven aan tuberculose.

Afbeelding 1 Weeshuisregister
Afbeelding 2 Go Khoen Lian en Go Pik Lian
Vanwege het aanzienlijke aantal Chinezen dat de stad rijk is zien de jezuïeten Semarang als het centrum van hun missie op Java. De rijke Chinese elite wordt als brug tussen de Europese kolonialen en de overwegend islamitische inheemse bevolking gebruikt. De eerdergenoemde pater Beekman komt in 1925 in Semarang aan uit Nederland en bouwt een innige band op met de Chinese gemeenschap. De Chineezenpastoor ziet in een leegstaand gebouw in Chinese stijl de perfecte locatie voor een katholiek weeshuis. Het gebouw is ontworpen in opdracht van majoor-titulair Be Ing Tjioe in 1838. In 1933 kan hij het hoofdgebouw eerst huren en later kopen met hulp van Chinese weldoeners, zijn jezuïetenorde en een hypotheek. Bij de restauratie blijven de Chinese architectonische elementen intact, net als het fijne houtsnijwerk waarmee de gebouwen op het complex zijn versierd. Dit respect voor de Chinese cultuur is tekenend voor de berekenende manier waarop de jezuïeten hun missie bedrijven en de peranakan-Chinezen voor de wagen van het kolonialisme spannen.
Het weeshuis biedt plaats aan ruim 200 Chinese leerlingen – zowel meisjes als jongens. Pastoor Beekman zwerft in die jaren door de smalle en groezelige straatjes van de Chinese kamp, de verstikkende hitte trotserend, op zoek naar wezen maar ook verwaarloosde kinderen zonder ouders. In 1937 roept Beekman de hulp in van de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid, afkomstig uit Limburg. Zij willen de leerlingen beschaven volgens hun moreel superieure opvattingen over religie, ras, klasse, opvoeding, seksualiteit en wat al niet meer. Bij hun komst schrikken de kinderen van de strenge habijten en de grote gezichts-kappen en van hun onbegrijpelijke taal. Discipline moet de kinderen dwingen tot ijverige onderdanen in de koloniale samenleving. Ze hebben nauwelijks kleren, slapen op zaal met 120 anderen, delen met twee of drie kinderen één bed, moeten collectief baden, zien hun familie sporadisch. In de Chinese wijk staan ze bekend als 'de arme sloebers van Kebon Dalem'. Zij worden als het ware gemangeld in de tang van de katholieke missie die zieltjes wil winnen en de lokale Chinese elite die zich kan bewijzen met de opvang van ‘hun’ verwaarloosde kinderen (zie afbeelding 3).
Khoen vertelde zijn familie dat om te overleven in het weeshuis je altijd op je qui vive moest zijn en bijvoorbeeld nooit je ogen moest sluiten tijdens het bidden, want dan kon zo het ei van je bord worden gegrist. En je moest om je hoofd boven water te houden soms vechten, waarvoor je dan weer straf kreeg. Die straffen waren streng, zo moet de ongedurige Khoen eens acht uur lang stil in de hoek staan, na verloop van tijd zelfs met een stoel boven zijn hoofd geheven om zijn onrustig bewegen te stoppen. Of hij moet op zijn knieën alle vloeren van het weeshuis boenen. Maar klein en mager als hij is, neemt hij het altijd op voor zijn vriendjes.
Als Khoen later carrière heeft gemaakt bij een grote scheepvaartmaatschappij, getrouwd is en een gezin heeft, blijven zijn toenmalige medeleerlingen bij hem over de vloer komen en hij wordt door de kinderen oom genoemd. Kebon Dalem drukte een onuitwisbaar stempel op mijn oom. En op vele mede-Indische Chinezen.
In 2022, jaren na de dood van mijn oom in 1995, loop ik via een bruggetje over de Kali Lama het terrein van Kebon Dalem op. Op de plek van het weeshuis liggen nu tennisbanen. Ik mag met een oude zuster even mee in het klooster, aan een wand zie ik twee foto’s hangen die de veelbewogen jeugd van mijn oom ineens dichterbij brengen: het nu gesloopte gebouw van het weeshuis en het portret van wijlen pater Beekman (Zie afbeelding 4).
Walter Jansen Go, mei 2025

Afbeelding 3 Groepsfoto (1938)

Afbeelding 4 Kloosterwand met foto’s (2022)
Bronnen
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.